De glasramen van Scheut

Millennium

Tom Gaens - Robert Stein e.a., De kartuize van Scheut en Rogier van der Weyden [Millennium. Tijdschrift voor middeleeuwse studies, 23:1-2]. (Turnhout: Brepols, 2009). 172 pp. 56 z/w ill. ISBN 978-2-503-53404-6.

Aanleiding tot dit dubbelnummer van Millennium vormde Robert Steins ‘toevallige vondst’ van een handschrift in quartoformaat dat, naast het “kleine” kalendarium en een lijst van relieken van de Brusselse kartuizers, een merkwaardige en uitgebreide beschrijving van een reeks glasramen bevat.

De codex wordt onder nummer 254 bewaard in het zogenaamde Archief van de Adel en Heraldisch Fonds, als onderdeel van een handschriftencollectie die, na vele verhuizingen en een halve restauratie, nog steeds bewaard wordt door de Belgische Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Dienst Adel, te Brussel. In feite gaat het hier om een herontdekking, want er werd reeds herhaaldelijk gewag gemaakt van dit ‘beeldprogramma van Scheut’. Zo vermeldde Micheline Soenen het als één van de vele bronnen met betrekking tot de Brusselse kartuis in haar bijdrage ‘Chartreuse de Scheut, à Anderlecht’ in Monasticon Belge (dl. 4, vol. 6, Liège, 1974, p. 1457-1494). Het is de grote verdienste van Robert Stein dat hij de beschrijvingen van de glasramen in het handschrift met Yvonne Bleyerveld voor het eerst grondig bestudeerd heeft. De resultaten van het onderzoek zijn gebundeld met enkele bijdragen van andere onderzoekers in dit themanummer van Millennium, onder de titel ‘De kartuize van Scheut en Rogier van der Weyden’.

In de eerste twee bijdragen, ‘Van publieke devotie naar besloten orde. De stichting van het klooster Scheut’ (p. 12-37) en ‘De groei van Scheut’ (p. 38-43), schetst Robert Stein resp. de stichtingsomstandigheden en een beknopte bouwgeschiedenis van het kartuizerklooster, aan de hand van de overgeleverde historiografische teksten en andere (archivalische) bronnen. De oprichting van de kartuis wordt uitstekend gekaderd in de politieke en socio-culturele geschiedenis van Brussel en de residentiepolitiek van de Bourgondische hertogen. Stein bouwt hierbij voort op het werk van Michel de Waha en Claire Dickstein-Bernard. Een beetje storend is dat de andere auteurs in de bundel telkens opnieuw dezelfde aspecten van de stichtingsgeschiedenis en de overgeleverde bronnen blijven herhalen in hun resp. bijdragen, soms elkaar tegensprekend in data en historische feiten.

De beschrijvingen van de ruim 90 glasramen uit het vermelde handschrift worden door Yvonne Bleyerveld m.m.v. Robert Stein onderzocht in een derde bijdrage, ‘De bijbelse geschiedenis in glas. Een geschreven beeldprogramma voor een reeks glasramen in de pandgang van het klooster Scheut (circa 1515)’ (p. 44-77). Het volledig uitgeschreven ‘beeldprogramma’ van Scheut, bestaande uit één glasraam per pagina, telkens onderverdeeld in negen vakken en schematisch weergegeven in een gotische omlijsting, had volgens de auteurs een tweeledige functie: enerzijds vormde het een gedetailleerd verslag van een iconografisch programma ter voorbereiding van het vervaardigen van een omvangrijke collectie glasramen voor het grote pand van de Brusselse kartuizers, en anderzijds was het een werkdocument bij het maken van de uiteindelijke ontwerptekeningen. Het belang van deze bron is niet te onderschatten, aangezien er geen scherf meer over is van de echte glasramen die zich in Scheut bevonden hebben.
Voor ieder raam werd centraal bovenaan één vak voorzien met een voorstelling uit de geschiedenis van de orde (met opvallende aandacht voor de “heiligen” van de orde) en twee vakken gevuld met bijbelcitaten en (mogelijk) wapens van de schenkers; in het midden van het raam werden drie vakken met oudtestamentische taferelen (en hier en daar een voorstelling uit de Historia scholastica van Petrus Comestor) aangegeven; onderaan centraal één vak met een nieuwtestamentische voorstelling en verder twee vakken voor portretten en/of wapens van donoren. Volgens de auteurs vertonen de typologische opbouw en de iconografie van de glasramen invloeden van de Biblia pauperum en het Speculum humanae salvationis. Slechts een aantal opvallende ramen worden in detail besproken en een schematisch overzicht van de voorstellingen op alle ramen ontbreekt onbegrijpelijkerwijs, zeker gezien de moeite die Robert Stein zich getroost heeft om het ‘beeldprogramma’ volledig af te schrijven.
Voor de voorstellingen uit de geschiedenis van de kloosterorde en zijn heiligen, verwijzen de auteurs naar de bronnen die mee aan de basis van het ‘beeldprogramma’ liggen, zoals de houtsnedes met de beroemde boom van Jesse en met scènes uit het leven van Bruno, terug te vinden in de Amorbach-druk van de Statuta, alsook enkele teksten met Vitae van belangrijke “heiligen”. De interpretatie van deze scènes in het ‘beeldprogramma’ als louter stichtende taferelen ‘tot navolging’ had iets meer uitgewerkt mogen worden. Meer nog was het een reactie op de aanhoudende kritiek die de kartuizers in de late middeleeuwen kregen dat zij geen officieel goedgekeurde orde waren, geen heiligen hadden voortgebracht en geen mirakels kenden. De Parijse kanselier Johannes Gerson verdedigde de kartuizers in zijn traktaat Contra impugnantes ordinem carthusiensium, waarin hij deze drie punten bestreed. Het eerste belangrijke historiografisch werk in onze contreien, De ortu et decursu ordinis carthusiensis van de kartuizer Henricus Egher van Kalkar, eveneens verspreid buiten de orde, was evenzeer een verdedigingsschrift als stichtende geschiedschrijving. Deze laatste auteur pikte opnieuw de legende van Raymond Diocrès op, de leermeester van Bruno die heropstond uit het graf tijdens zijn begrafenis. Hij gaf het verhaal, dat in de oudste levensbeschrijvingen van Bruno nooit vermeld wordt, een centrale plaats in de bekering van de ‘stichter’. In een tijd waarin ars moriendi erg fashionable was, sloeg het behoorlijk aan en het is dan ook niet verwonderlijk dat deze scène later, onder andere in de Amorbach-druk (en de glasramen van Scheut), zoveel aandacht kreeg. Overigens hadden de kartuizers, wat Bruno betreft, wel wat goed te maken in de gedrukte revisie van hun Statuta, want de eerste wetgever van de orde, Guigo, had in zijn Consuetudines met geen woord over de ‘stichter’ gerept. De 15e-eeuwse poging tot canonisatie van de kartuizer-bisschop Stephanus van Die, waarbij een onwaarschijnlijke nieuwe reeks mirakelen werd opgevoerd, de opstart van het (wel heel erg late) canonisatieproces van Bruno, en de voorstellingen met het leven van Bruno en de boom van Jesse in de Amorbach-druk zijn dan ook in deze zin mee te begrijpen: hoe zou een dergelijke roemrijke orde met zovele “heiligen” en bisschoppen buiten de kerk en de samenleving kunnen staan?
In het ‘beeldprogramma’ van Scheut valt ook de aandacht voor het lijden van Christus op in de nieuwtestamentische taferelen. In hun verklaring hiervoor komen de auteurs echter niet verder dan de gemeenplaats ‘onder invloed van de Moderne Devotie’ en een vruchteloze zoektocht naar een handschrift met de Imitatio Christi. Zij gaan helaas volledig voorbij aan ruim een dozijn (soms erg visuele) meditatieve werken in het Latijn en Middelnederlands over Christus’ leven en lijden, die in de 14e en 15e eeuw (alleen al door kartuizers in onze streken) geproduceerd werden, met om te beginnen de Vita Christi van Ludolphus van Saksen (wél aanwezig in Scheut). Er wordt in het algemeen in deze bundel zo goed als geen aandacht besteed aan de geroemde boekproductie en schrijfcultuur bij de kartuizers (in Scheut en daarbuiten). Misschien is een typerend voorbeeld dat de auteurs, met betrekking tot het ongebruikelijk hoge aantal glasramen gewijd aan het openbare leven van Christus, verwijzen naar de houtsnedes van Lieven de Witte in een druk van Dat leven ons Heeren uit 1537, zonder blijkbaar te beseffen dat dit werk werd geschreven door de in Gent geprofeste kartuizer Willem van Branteghem.

De bundel vervolgt met twee voortreffelijke en rijk gestoffeerde bijdragen. In ‘De schenkers van Scheut. Het glasmecenaat van een kartuizerklooster, 1450-1530’ (p. 78-104) achterhaalt Mario Damen informatie over de schenkers van glasramen in de kapel, het grote pand en de kerk van het kartuizerklooster van Scheut gedurende drie verschillende bouwcampagnes. Uit de namen van de donoren, af te leiden uit kroniekmateriaal en het ‘beeldprogramma’, merkt Damen een verschuiving van Brussels patriciaat naar de ‘fine fleur’ van het Bourgondisch staatsapparaat.
Hierbij valt op te merken dat dezelfde evolutie ook merkbaar is bij de opbloei van de Leuvense kartuis, waar de stichting eveneens ingezet werd door niet-adellijke initiatiefnemers, die dicht bij de universiteit of het Bourgondisch-Habsburgse hof stonden, en waar de uitbouw van het klooster ook “gerecupereerd” werd door (dezelfde) hoge edelen met topfuncties in de hofhouding. De glasramen van de Leuvense kartuis zijn m.i. aan een gelijkaardige, vakoverschrijdende studie toe: er mag dan wel geen ‘beeldprogramma’ over bestaan, maar er zijn wél nog heel wat echte glasramen (of fragmenten ervan) overgeleverd, verspreid over musea en kerken op het Europese vasteland, het Britse schiereiland en Noord-Amerika, die met zekerheid of met wisselende waarschijnlijkheid toe te wijzen zijn aan de Leuvense kartuis. Een uitgebreide studie ervan, met onderzoek van het niveau uit deze bundel, is tot nu toe niet gemaakt.

In de bijdrage ‘Restanten van een meesterwerk. De bouwsculptuur van de kapel van Scheut’ (p. 112-128) onderzoekt Bart Fransen kraag- en sluitstenen die ternauwernood konden gered worden toen de laatste restanten van de oude kapel van Scheut in 1974 afgebroken werden om plaats te maken voor een supermarkt. Het gaat om vier bijzonder uitgewerkte kraagstenen met voorstellingen van de kerkvaders, vier kleinere kraagstenen met de evangelisten en twee van de drie sluitstenen, alle bewaard in het museum Begijnhof van Anderlecht. De auteur wijst op het meesterlijke vernuft en de technische kwaliteit waarmee de bouwsculpturen zijn uitgewerkt en op basis van ontwerptekeningen met kerkvaders, bewaard in het Louvre, is hij geneigd om aan te nemen dat Rogier van der Weyden in het ontwerp een inbreng gehad heeft.
Bart Fransen gaat daarvoor uitgebreid in op de relaties tussen de Brusselse architect Gillis Joes en Rogier van der Weyden, die beiden als weldoeners (en Joes als architect) te boek staan bij de kartuizers in Herne en Brussel. Volgens hem ligt het concept van de kraagstenen volledig in lijn van de tekeningen uit het Louvre, die in Rogiers atelier ontstonden en vóór 1449 werden aangewend in bouwsculpturen van de Sint-Waldetrudiskerk in Herentals, eveneens een bouwproject van de architect Gillis Joes.

Het monumentale schilderij van Rogier van der Weyden met de bewening van de gekruisigde Christus door Maria en Johannes, een geschenk van de schilder aan de Brusselse kartuizers, vormt het onderwerp van de niet erg vlot geschreven bijdrage ‘De Kruisiging van Rogier van der Weyden als verbeelding van de sacramentsverering’ (p. 129-147) van Liesbeth Zuidema. Haar dissertatie handelde over de functie van kunst in de ‘Nederlandse’ (sic) kartuizerkloosters. Dat dit schilderij als sacramentsretabel in de kartuis van Scheut functioneerde als een hulpmiddel bij het overwegen van de eucharistie, was één van de stellingen waarop zij promoveerde. Om haar hypothese te staven, besteedt Liesbeth Zuidema in haar bijdrage kort aandacht aan de intensivering van de sacramentsverering in het 11e-eeuwse kloosterleven en in de laatmiddeleeuwse lekendevotie, maar niet aan de traditie van de verering van het sacrament van de eucharistie bij de kartuizers.
Net als in de bijdrage over het ‘beeldprogramma’, wordt ook hier voorbij gegaan aan de praktisch-theologische en vaak meditatieve teksten over het sacrament van de eucharistie die door een tiental kartuizers geschreven zijn. Eén van de meest bekende auteurs was de invloedrijke (maar later compleet vergeten) Henricus van Coesfeld, prior van de kartuizers in Monnikhuizen bij Arnhem, Zelem en Geertruidenberg, die niet alleen een belerend trakaat De institutione sacramenti eucharistiae schreef, maar ook de devote Meditatio et orationes de sacramento altaris. Eén van de gebeden uit dit laatste werk werd zelfs opgenomen in het beroemde Orationale magnum van de cisterciënzers van Kamp (Darmstadt, Universitäts- und Landesbibliothek, hs. 521, fol. 93r). Nog aan het einde van de 15e eeuw wees de Windesheimer reguliere kanunnik Johannes Mombaer (Mauburnus) in zijn Rosetum exercitiorum spiritualium op het grote belang van het werk van deze kartuizer over het sacrament van de eucharistie. Niet alleen Henricus van Coesfeld, maar ook vele andere 15e-eeuwse kartuizerauteurs schreven scholastiek getinte teksten over dit onderwerp of compileerden “ontvlambare” werken “ter voorbereiding van de mis”. Een voorbeeld is het Exercitium inflammativum ad devotionem sacramenti ex violario Mariae, continens aureas salutationes legendas ante et post celebrationem missae perceptionemque eucharistiae van de Luikse kartuizerprior Jacobus van Gruitrode, dat onder meer bij de Windesheimer regulieren van Bethlehem in Herent, in de Luikse benedictijnenabdij van Sint-Jacob en zelfs in Clairvaux werd afgeschreven.
Onderzoek naar het ontstaan van dergelijke meditatieboeken met een sterk compilatoir karakter in kartuizermiddens had een meerwaarde in deze bundel kunnen zijn. Werd er een specifiek leespubliek voor ogen gehouden of was het ruminare van de bronteksten en het compilatieproces op zichzelf belangrijker? Op welke manier hielpen de meditatieve teksten bij het overwegen van het sacrament van de eucharistie en de voorbereiding van de mis? Vertonen de voorstellingen in deze teksten overeenkomsten met dergelijke sacramentsretabels of afbeeldingen in andere kartuizerkloosters (en waarom niet, hervormde kloosters van andere ordes) in de Nederlanden en het Rijnland?

In de laatste bijdrage van de bundel, ‘Representatie en devotie in het oeuvre van Rogier van der Weyden (1400-1464)’ (p. 148-169), vult Jos Koldeweij het vorige artikel tenslotte aan door de ‘Kruisiging van Scheut’ vakkundig in het oeuvre van meester Rogier te situeren.

Het geheel van de hierboven besproken bijdragen wordt voorafgegaan door een inleidende tekst ‘Scheut en meester Rogier’ (p. 3-11) van de hand van Robert Stein en Jos Koldeweij, waarin beiden uitleggen hoe het onderzoek van het handschrift met het ‘beeldprogramma’ de aanleiding vormde tot een breder opgezette bundel, dat het abstract behandelen van dit object (en ook het klooster waarin het zich bevond) als een geïsoleerde identiteit wil overstijgen door het te situeren in een maatschappelijke omgeving en een bredere context. Van het ‘beeldprogramma’ beweren de auteurs dat het niet helemaal zeker is of het zich nog wel in de Brusselse kartuis bevond in de achttiende eeuw, wat echter wel aantoonbaar is. In de 17e eeuw was zowel het “kleine” kalendarium als de beschrijving van de glasramen nog samengebonden met de kroniek van Scheut (vaak Liber fundationis genoemd), vandaag bewaard in Brussel, Koninklijke Bibliotheek, ms. 5764 (cat. 3860). Dit blijkt namelijk uit een nota uit die periode op fol. 1 van het Liber fundationis. Hieronder bevindt zich een latere notitie, waaruit blijkt dat het kalendarium en de beschrijving van de glasramen op 24 maart 1786 werden overgemaakt aan Charles Beydaels de Zittaert, Premier Roi d’armes dit Toison d’Or. Ook de afschaffingslijsten van de Oostenrijkse administratie (Brussel, Algemeen Rijksarchief, Comité van de Religiekas, inv. nr. 71, lijst 62) vermelden in een Liste des manuscrits trouvés au couvent supprimé des Chartreux à Bruxelles beide als twee aparte items: Fenestrae vitriae prout steterunt in ambitu in Scheut (nr. 43) en het Calendarium anniversariorum (nr. 44). In dezelfde inventaris bevinden zich eveneens de ontvangstbewijzen van de handschriften die aan de Chambre héraldique werden overgemaakt (Liste des manuscrits trouvés au couvent supprimé des chartreux à Bruxelles ayant trait à la matière héraldique). Beide documenten waren dus eerder door de kartuizers zelf losgeweekt van het Liber ordinarius. Dat was om goede redenen gebeurd, want het kalendarium had sinds het begin van de 17e eeuw geen enkele functie meer in de kartuis van Brussel en de glasramen van Scheut waren reeds geruime tijd vernietigd.

Met deze bundel is Robert Stein erin geslaagd om met een interdisciplinaire aanpak een substantiële bijdrage te leveren aan de studie van de bouw- en ontstaansgeschiedenis van het kartuizerklooster in Scheut en het belichten van de positie van de kunstenaar Rogier van der Weyden in de laatmiddeleeuwse samenleving. Hopelijk geniet het boeiende ontstaan van de kartuis van Scheut hiermee ruime(re) aandacht bij cultuurhistorici en niet enkel binnen ‘een beperkte kring van specialisten’.