Kwalitatief onderzoek in vergelijkend perspectief als handelsmerk van de Jaarboeken voor Middeleeuwse Geschiedenis

jaarboek 2009.jpg

Janick Appelmans –M. Boone, A.J.A. Bijsterveld, M.J.M. Damen e.a. (ed.), Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 11 (Hilversum: Verloren, 2008) 250p. ill. krtn. 29,00€ ISBN 978-90-8704-064-2 en M. Boone, A.J.A. Bijsterveld, M.J.M. Damen e.a. (ed.), Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 12 (Hilversum: Verloren, 2009) 197p. ill. krtn. 29,00€ ISBN 978-90-8704-145-8

Met de nummers voor 2008 en 2009 is het Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis inmiddels aan zijn elfde en twaalfde jaargang toe. De kaap van het eerste decennium werd gerond.

Na acht jaarboeken werd de strenge eenkleurige kaft met verschillende zwart-witafbeeldingen verlaten voor een gelaagde compositie. Eén wisselende kleurenafbeelding op de benedenhelft van de cover steekt af tegen de drie bovenstaande en jaarlijks terugkerende tekeningen op een achtergrond. Het kleurenspel van een donkere en een pasteltint van dezelfde kleur zorgen voor een dynamische afwerking van de kaft: De wapenschilden van de twaalfde jaargang lijken ons uit te nodigen tot de grafelijke raad van Holland en Zeeland onder het bewind van graaf Willem III (1304-1337). Maar is de inhoud even zinnenprikkelend? Het Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis heeft een reputatie opgebouwd met uitgebreide en uitgediepte studies in de klassieke onderdelen van de middeleeuwse geschiedenis en haar hulpwetenschappen. De recensies over de eerste jaargangen waren alleszins positief. In het nummer 2/3 van de elfde jaargang van Signum (1999) lezen we op p. 69 volgende conclusie: “De éénvormigheid van de artikels, gebaseerd op een beknopt kritisch apparaat, nuttige bijlagen en duidelijke overzichten van bronnen en literatuur, getuigt van een redactioneel beleid met visie. Tevens werden de verschillende uiteenzettingen passend geïllustreerd met kaarten en foto’s. Een even boeiende en hoogstaande tweede jaargang bezorgen zal voor de contribuanten en de redactieleden van het Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis niet alleen een doelstelling, maar tevens een uitdaging zijn.” Misschien moeten we de conclusie van de Signum-recensent bij de eerste jaargang eens toetsen aan de voorliggende nummers voor 2008 en 2009…

Bij een lustrum is het altijd verleidelijk om lijstjes te maken en te vergelijken. Van de zes startende redactieleden verlieten Bas van Bavel, Antheun Janse en Erik Thoen de ploeg en bleven Arnoud-Jan Bijsterveld, Hans Mol en Paul Trio op post. Inmiddels vervoegden Marc Boone, Chloé Deligne, Hildo van Engen, Bram van Hoven van Genderen en Martha Howell de redactie.

Op uitzondering van de dubbele bijdrage van Hein Jongbloed die in de elfde en de twaalfde jaargang verscheen, bespreken we de verschillende contributies in de geijkte chronologische volgorde die het jaarboek steevast per volume aanhoudt. De gedetailleerde referenties naar alle bijdragen met betrekking tot religieuze instellingen zijn in de bibliografie van deze Signumwebsite terug te vinden.

Met een dubbel artikel stelt Hein Jongbloed zich tot doel de functie en de roots van Godfried, de oude prefect uit De diversitate temporum (Narrative Sources NL0424) van Alpertus van Metz te traceren. In zijn eerste bijdrage, ‘Cold case’ Upladen (oktober 1016). Godfrieds prefectuur tussen grote politiek en dynastieke competitie (850-1101) vraagt hij zich af wat de prefectuur inhield en welke haar voorgeschiedenis was. Alleszins was het een functie waarvoor een dame van rang en stand (Adela van Hamaland) bereid was een minderwaardig huwelijk (in 996) aan te gaan en een moord (in 1016) te laten plegen opdat de functie toch maar aan haar echtgenoot (Balderik, †1021), zou toekomen. Na een status quaestionis van de prefectuur in het Nederlands en het buitenlands historisch onderzoek concludeert Jongbloed dat de prefectuur gelijk te stellen is met een markgraafschap dat zich uitstrekte in de Rijn- en Maasdelta, rond plaatsen als Tiel, Gennep en Xanten, met de jonge ‘vadsige’ Godfried die in 1018 te Vlaardingen sneuvelde, als markgraaf. Maar er is meer aan de hand: de prefectuur van Godfried senior (†1012) uit de titel van de bijdrage en zijn gelijknamige, minder dynamische zoon, grijpt terug naar een verder verleden. Het Friese deel van het Karolingische Middenrijk, met de Rijn en de Vlie als oostgrens, dat Jongbloed voortaan Middenrijks Friesland noemt, was voor 855 een regnum, een rijksdeel in het Middenrijk, en het hoorde duidelijk en herhaaldelijk niet tot Lotharingen. Niet alleen is dit gebied in de Karolingische geopolitieke kaart nooit zo duidelijk als een afzonderlijke entiteit gepercipieerd, het is evenzeer opmerkelijk dat het van een mark (marchio), bestaande uit de graafschappen Dorestad en andere, één op één promoveerde tot een regnum, waarvan de logische evolutie omstreeks 900 was dat de militaire bevelhebber van dat regnum voortaan dux zou heten. Tussen de verdragen van Meerssen (870) en Verdun (879)-Ribémont (880) behoorde Middenrijks Friesland, wars van alle Karolingische staatkundige principes, deels tot oostelijk en deels tot westelijk Francië, aangezien Rorik (†na 873) aan beide vorsten leenhulde betuigde. In die politiek wisselende constellatie aasden verschillende families, onder wie ook de Gerulfigen, op de functie van militair bevelhebber in het rivierengebied dat tussen de beide Frankische deelrijken op de wip zat. Jongbloed betoogt dat Otto I ervoor opteerde om de prefectuur na de grote Neder-Lotharingische rebellie van 938-939 niet meer in te vullen.

In Vier ‘Xantener’ Gottfriede (c. 905-1018). Königsverwandtschaft und Reichspolitik am Beispiel des ersten Niederlotharingischen Herzogshauses (959-1012) beargumenteert Hein Jongbloed dat Godfried senior de oudste zoon van hertog Godfried I van Neder-Lotharingen (959-964) was. Hoewel hij de steun van de Ottonen genoot, kon Godfried eerst door zijn jonge leeftijd, later door zijn hoge ouderdom en zwakke gezondheid het hertogsambt niet bekleden, wat meteen de vacaties van de Neder-Lotharingische hertogtitel tussen 964-977 en 1006-1012 verklaart. Intussen had Otto II (973-983) het hertogdom nodig om de West-Frankische karolinger Karel (977-911, †voor 995) en diens zoon Otto (991-1006) te belenen als buffer tegen hun broer en oom, de Franse koning. Als compensatie verkreeg Godfried, de prefectuur van een oud markgraafschap aan de grote rivieren. In die hoedanigheid nam hij de leiding bij het afweren van de noormanneninvallen, zoals verhaald door Alpertus. Jongbloeds bevindingen betekenen een rehabilitatie van de geloofwaardigheid van de Historia Walciodorensis monasterii (Narrative Sources H047) en van de these van Vanderkindere over de tweedeling van het hertogdom Lotharingen.

Eén van de onderzoeksdomeinen van Alexis Wilkin is al een kleine tien jaar de materiële situatie van het Luikse kathedraal kapittel. Het thema van zijn bijdrage in het elfde jaarboek, Le destin des biens de Roosbeek. Un épisode dans les relations politiques entre le Brabant et Liège (XIIe-XIIIe siècles), past in de eeuwenlange twisten die de Leuvense graven en latere Brabantse hertogen met de Luikse prinsbisschoppen uitvochten. Na een uitgebreide situering van de politieke en territoriale conflicten komt de schenking in 1178 van een kanunnikswoonst en de bijhorende rechten en inkomsten door domheer Arnold van Grimbergen aan bod. Hoewel verwijzend naar de publicaties van Godfried Croenen, blijft Wilkin de families Van Grimbergen en Berthout met elkaar vereenzelvigen. De Luikse kanunnik en Mechelse proost Arnold is een zoon van Gerard I van Grimbergen en dus een schoonbroer van Wouter I, de stamvader van het huis Berthout (zie Croenen, Familie en Macht, p. 24, 27 en 50). Arnold II van Grimbergen was al van jongsaf voorbestemd voor een kerkelijke loopbaan. Zoals in de theorie van Wilkin past, werd zijn weg geplaveid door zijn oom langs moederszijde, de Luikse aartsdiaken Reinier van Aarschot, die voor zijn opvoeding in de bisschopsstad instond. Bij het overlijden van kanunnik Arnold van Grimbergen vormde diens erfenis, met kanunnikswoonst en vooral de eraan verbonden goederen in het strategisch gelegen Roosbeek bij Tienen, op de grens van Brabant en Luik, een twistappel tussen kapittel en hertog. Uiteindelijk slaagde de Brabantse hertog erin om de kanunnikswoonst met de bijhorende rechten door te spelen aan zijn eigen zoon Albert (†1192), die kortstondig bisschop van Luik zou worden, en vervolgens aan kanunniken uit de adellijke familie van Jauche, inmiddels trouwe aanhangers van de hertog. Om de vererving van waardigheden binnen het kapittel tegen te gaan, beriep het Luikse kapittel zich op het reglement over de testamenten bij clerici, dat voorhield uit 1108 te stammen. Volgens de voorschriften en gebruiken te Utrecht kwam een beneficie terug aan het kapittel dat het aan de hoogste bieder toewees. Enkel mits een wilsbeschikking was het mogelijk een kanunniksdij door te spelen aan een verwant. In de Luikse praktijk bleek enkel een testament de erfelijkheid van prebenden te kunnen doorbreken. In het kader daarvan paste het valse reglement van 1108. Ook bij de pauselijke bevestiging ervan, dagtekenend van 1189, stelt Wilkin zich vragen. Mogelijk is ook dit document een falsum, waarbij de Luikse kanunniken zich bedienden van de paleografie van de echte pauselijke bevestigingsbul voor hun goederenbezit van 14 april 1189. Minstens hebben de Luikse koorheren handig gebruik gemaakt van het medelijden na de grote brand van 1185 om hun echte en vermeende privileges te laten bekrachtigen. Wilkin dateert het valse reglement kort na 1189 en voor ongeveer 1218, aanvangsdatum van het oudst bewaard gebleven cartularium die de verdachte pauselijke bevestiging bevat. De anti-Brabantse georiënteerde politiek, gesterkt door het vals reglement, legde het kapittel geen windeieren, want een halve eeuw later kwam het kanunnikshuis van Jauche met alle bijhorende bezittingen terug in de handen van het kathedraal kapittel.

Onder de titel ‘Bij desperatien’ bestudeert Hannes Lowagie Zelfmoord in het graafschap Vlaanderen tijdens de Bourgondische periode (1384-1500). De conclusies over incidentie, modaliteit, tijd, plaats en geslacht sporen voor Vlaanderen sterk met het internationale onderzoek. Naast de sociologische studie stelt de auteur aan de hand van bronnen uit theorie en praktijk de houding van de samenleving tegenover suïcide scherp. Hoewel de bestraffing veeleer mild kon zijn, werd zelfmoord beschouwd binnen de strenge ideologie rond het in de middeleeuwen al ruim verspreide desperatio-concept. Dit hield veel meer in dan zijn letterlijke vertaling als wanhoop, maar duidde op de zonde om te twijfelen aan de goddelijke barmhartigheid.

In Assessing a late medieval capital market onderzoekt Jaco Zuijderduijn The capacity of the market for renten in Edam and De Zeevang (1462-1563). In ruil voor een jaarlijks pensioen kochten renteniers langlopende lijfrenten en vooral losrenten, waarvan ze respectievelijk tot het einde van hun dagen of totdat het geleende bedrag terugbetaald was genoten. De verpondings- en verpachtingskohieren leren dat een ruim deel van de bevolking participeerde in de kapitaalmarkt van Edam en De Zeevang, die geïntegreerd was met de andere regionale kapitaalmarkten in Noord-Holland. De uitgevers van renten bezaten allen het huis dat ze bewoonden en hadden vaak ook nog een stuk grond. Veel renten werden aangegaan tussen verwanten en waren duidelijk bedoeld om familieleden die hun eigen huishouden stichtten, te ondersteunen. Voor religieuze en caritiatieve instellingen bood de rentemarkt de mogelijkheid om hun kapitaal lucratief ten dienste te stellen van de economische bedrijvigheid. De begijnen van het Betlehemklooster, het Edamse armenhuis en vooral de parochiekerk van Sint-Nicolaas bezaten renten.

In De Friezen als uitverkoren volk overschouwen Hans Mol en Justine Smithuis de Religieus-patriotische geschiedschrijving in vijftiende-eeuws Friesland aan de hand van de vijf laatmiddeleeuwse historiografische werken die als de Gesta-groep bekend staan. De werken bevatten tot veertien episodes uit de Friese geschiedenis, die stuk voor stuk uitgebreid vergeleken worden met oudtestamentische verhalen. De studie behandelt achtereenvolgens de vijf teksten, de veertien episodes, de bronnen en de onderlinge verhouding van de teksten in samenhang met de licht wisselende rangschikking van de episodes. De resultaten laten toe om de bevindingen van eerder onderzoek te bevestigen en te versterken. De Historia Frisiae (Narrative Sources NL0499) geeft het best de oorspronkelijke opzet weer. De uitgesponnen vergelijkingen met het Oud Testament maken aannemelijk dat de Historia voor en door reguliere clerici is geschreven. Na de Latijnse tekst volgden vertalingen in de volkstaal, waarbij de Middelnederlandse tekst wellicht uit het Fries werd vertaald. Tot slot staven Mol en Smithuis dat de Friese geschiedenissen voor een Westerlauwers Fries publiek zijn geschreven tijdens de periode van de Bourgondische dreiging onder Karel de Stoute (1467-1477) en wat de oudste teksten betreft, mogelijk al tijdens het bewind van Filips de Goede.

In ‘Onder dese ridderen zijn oec papen’ spijkert Rombert Stapel via prosopografisch onderzoek met zwaartepunten rond afkomst en opleiding de lacuneuze kennis over De priesterbroeders in de balije Utrecht van de Duitse Orde (1350-1600) bij. De grondige analyse van het rijke archiefmateriaal stelt hem in staat om de daling van de priesterbroeders pas rond 1560 te situeren, in lijn dus met de seculiere geestelijkheid en veel later dan de reguliere clerus, bij wie de terugval reeds omstreeks 1520-1530 vastgesteld werd. De toenemende antipaapse tijdsgeest en de persoonlijke voorkeur van landcommandeur Frans van der Loe zorgden ervoor dat na 1560 nog slechts één priesterbroeder, maar wel veel ridderbroeders toetraden. De gewijzigde interne personeelsverhouding verklaart meteen waarom de balije Utrecht de alteratie naar het protestantisme overleefde. De meeste priesterbroeders verbleven in een ordeshuis nabij hun familiale netwerk, dat zich veelal in het Nederlandse rivierengebied en bij uitnemendheid in de steden Delft, Gouda, Leiden, Naaldwijk, Oudewater, Schoonhoven en ’s-Hertogenbosch situeerde. De vele medebroeders uit de onmiddellijke nabijheid van de commanderij van Tiel doen Stapel de hypothese formuleren van een presentatierecht aldaar van de stad Arnhem bij de landcommandeur, naar analogie van Kulm, het Poolse Chelmo. Met uitzondering van het Leidse huis waren slechts weinig priesterbroeders van riddermatige afkomst. Hoewel zeker één vijfde van de ridderbroeders academisch geschoold was, met de landcommandeurs en de expectanten, die nooit volwaardig lid werden, maar een andere loopbaan ambieerden, als opmerkelijke uitschieters naar boven, waren het vooral de priesterbroeders die de artesfaculteiten van Keulen en Leuven bezochten en zelden hun studie vervolgden aan een hogere (rechten)faculteit. Naast hun opleiding investeerden de priesterbroeders met het oog op een loopbaan als pastoor of commandeur. Daartoe waren zij bereid een niet onaanzienlijke dos of intredeschenking, van een gelijke hoogte als de ridderbroeders, af te dragen. Mits de obligate erkenning van het formele patronaatsrecht van de landcommandeur was het priesterbroederschap lonend: tussen de lucratieve pastoorsfuncties heerste er een redelijke mobiliteit.

Frederik Keygnaert toont in Misbruik en devaluatie van excommunicatie in het Merovingische rijk aan dat machtsgerelateerde belangen al deel uitmaakten van de kerkelijke ontwikkeling in die periode. De studie van narratieve en normatieve bronnen leert dat excommunicaties enerzijds toegepast werden om de onafhankelijkheid en het bezit van de Kerk te verdedigen, maar anderzijds, door de wereldlijke betrokkenheid van de kerkleiders, aan gezag inboetten. Vanuit kerkelijke hoek werd op tweeërlei manieren gepoogd om de impact van de straffen te vergroten. Op concilies riepen de bisschoppen op middels zelfregulering het overmatig gebruik van kerkelijke censuren in te perken, terwijl de auteurs van heiligenlevens en mirakelverhalen via spectaculaire uitwerkingen het effect van de straf poogden op te waarderen. Ondanks alle nuance blijft het aan de hand van het beschikbare bronnenmateriaal moeilijk om de impact van de excommunicaties precies te peilen, daar conflictsituaties nu eenmaal vaker aan het perkament toevertrouwd werden.

Ver van het strijdperk van Woeringen (1288) en ander krijgsgewoel tijdens de Limburgse Successieoorlog (1283-1289) analyseert David Kusman in Asymétrie de l’information et crédit médiéval de minstens even bittere nederlaag van graaf Reinoud I van Gelre (1271-1326) aan de leentafel van de lombard Tadeo Cavazzone, bankier uit Asti. Vanaf de late dertiende eeuw deden de landsheren sterk beroep op leningen bij Piëmontese bankiers voor de financiering van hun territoriale politiek. Terwijl ze beden en de bijhorende toegevingen aan de standen omzeilden, verzekerden ze zich geldelijk van de steun van bondgenoten en bekostigden ze militaire campagnes. Het bankroet van Reinoud, zo betoogt Kusman, vormt een schoolvoorbeeld van informatieasymmetrie in het middeleeuwse kredietwezen. De Gelderse graaf kende het kredietwezen afdoende, maar beschikte in tegenstelling tot zijn rivalen niet over notarissen, clerici of andere tussenpersonen die een vlotte toegang hadden tot de landsheerlijke machtcenakels en de aldaar circulerende informatie. Zo raakte de onfortuinlijke graaf verstrikt in een web van verplichtingen en afhankelijkheden aan de in Den Bosch residerende lombard, de heer van Cuijk, de Brabantse hertog en – nog het ergst van allemaal − zijn eigen schoonvader, de Vlaamse graaf. In deze laatste, netelige positie stond Reinoud niet alleen, want naast de vijfjarige verpachting van Gelre vanaf 1291, zou de gewiekste Gwijde van Dampierre (1278-1305) het prinsbisdom Luik, geregeerd door zijn eigen zoon, bisschop Jan van Vlaanderen (1282-1291), op gelijklopende wijze onder curatele plaatsen. Wat citatie van deze bijdrage betreft wijzen we op de zetduivel die onterecht een dubbele n in de familienaam van de Piëmontese bankier dropte, zodat naar de ondertitel best verwezen wordt als Les déboires financiers de comte Renaud Ier de Gueldre avec le banquier astésan Tadeo Cavazzonne [sic] à la fin du XIIIe siècle.

Na een status quaestionis van het al bij al beperkte onderzoek naar de vorstelijke raad in de Nederlanden bestudeert Jan Burgers De grafelijke Raad van Holland en Zeeland ten tijde van graaf Willem III (1304-1337) aan de hand van de registraties van inkomende en uitgaande stukken en de bijhorende aantekeningen in de archiefbestanden van de Hollandse grafelijkheid. De persoonlijke voorkeur van de graaf bepaalde duidelijk wie zitting had in zijn raad. Voor verschillende raadsheren was het lidmaatschap verbonden aan een uitgeoefend ambt van baljuw of rentmeester. Tot de vaakst vermelde leden behoorden twee kerkelijke dignitarissen, Jacob (†1331), de titulaire bisschop van Zuda op het door de Turken bezette Griekse eiland Naxos, en Nicolaas van Gent (†1327), premonstratenzer abt van Middelburg. De hoge edelen namen vooral deel aan plenair overleg, maar waren nauwelijks bij de dagelijkse bestuurszaken betrokken en hadden zodoende weinig invloed op het landsbestuur. De gemene raad telde een vijf- tot tiental kernleden die, wanneer Willem III door Holland en Zeeland trok, hem permanent vergezelden. De raad bekleedde een centrale adviesfunctie en bereidde tijdens de frequente verblijven van de graaf in Henegouwen het administratief, rechterlijk en wetgevend werk verregaand voor. Indien nodig werd de gemene raad aangevuld met edelen die tijdelijk aan het hof verbleven om als raad van leenmannen in feodale aangelegenheden te zetelen. Slechts bij grote uitzondering trad in gewichtige zaken een breder samengestelde raad op, als een voortzetting van de oude curia comitis.

In Netwerken voor het Heilig Land brengen Florence Koorn en Hans Mol graaf Willems prominente raadgever Jacob van Zuden en de expansie van de johannieters in het bisdom Utrecht met elkaar in verband. Opvallend is dat vanuit het Utrechtse Catharijneconvent in de eerste drie decennia van de veertiende eeuw, dus beduidend snel na de val van Akko en na de radicale zwaartepuntverschuiving van hospitaalactiviteiten naar militaire taken, niet minder dan zes nieuwe vestigingen tot stand kwamen. Net in de jaren 1309-1331 leidde Jacob van Zuden, vanaf 1312 ook wijbisschop in het Utrechtse diocees, als commandeur het Catharijneconvent. Zelfs na zijn mislukte gooi naar het Utrechtse episcopaat in 1322 bleef hij de steun genieten van de Hollandse graaf, die de johannieter orde rijkelijk begunstigde. Verder was hij een vertrouwd figuur aan de hoven van Gelre en het Sticht en collecteerde op last van de paus voor een nieuwe kruistocht. Het Haarlemse Sint-Janshuis, Jacobs eerste inplanting, beheerde al de ingezamelde kruisgelden, die na verloop van tijd met de gewone inkomsten samengevoegd werden. Als johannieter projectontwikkelaar was hij succesvol dankzij zijn zin voor samenwerking met en de overname van religieuze instellingen in moeilijkheden en het voortbouwen op lokale netwerken en relaties aan het hof. Met de beheerskredieten van het Catharijneconvent, de geïnde kruisgelden en zijn inkomsten als wijbisschop wist hij zich als een speler van eerste rang op de lucratieve markt van de kredietverschaffing aan vorsten en edelen te positioneren. En hoewel zijn Utrechtse medebroeders hem op zijn sterfbed zijn grote investeringen in het Haarlemse huis ten kwade duiden, was de johannieter orde de rijkelijk begunstigde erfgenaam van de succesvolle projectontwikkelaar en vermogensbeheerder.

De twaalfde jaargang van het Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis sluit af met opnieuw een bijdrage die de bevindingen van internationaal onderzoek voor de Nederlanden bevestigt. In De omgekeerde wereld van de Brugse ezelspaus bestudeert Hendrik Callewier de moeizame afbouw van Een omstreden aspect van de laat-middeleeuwse kerkelijke feestcultuur. Net als de kapittels van verschillende Noord-Franse steden waren de kanunniken van Sint-Donaas weinig opgezet met de excessen van de clerici installati, de laagste geestelijken verbonden aan hun kerk.Via subsidies kregen de kapittelheren greep op het omkeringsfeest, om de festiviteiten in de loop van de vijftiende eeuw stelselmatig in te perken, zodat de ezelspaus begin zestiende eeuw definitief verdween. Wanneer Callewier bij wijze van besluit zijn vaststellingen wil kaderen in de cultuurhistorische theorie van Pleij, is hij genoodzaakt tot een duale conclusie: de afbouw van de jaarlijkse uitspattingen van de lagere clerus past zeker in het stedelijk beschavingsoffensief, maar met het samen ijveren van burgerlijke en kerkelijke elite voor de afschaffing van de Brugse ezelspaus is er allerminst sprake van het aanwenden van een kerkelijk omkeringsfeest met het oog op de versterking van de gevestigde orde.

Na meer dan tien jaar blijft het Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis een baken van gedegen en vernieuwend onderzoek. Daarbij vallen zowel de comparatieve aanpak als de belangrijke inbreng van originele bronnenstudie op. Callewier en Lowagie toetsen de bevindingen van internationaal onderzoek aan Vlaamse bronnenbestanden. Stapel vergelijkt de priesterbroeders van de Utrechtse balije met andere geestelijken en andere regio’s. Burgers stelt vast dat er nog maar weinig bekend is over de samenstelling van landsheerlijke raden in de Nederlanden en besluit daar voor vroeg veertiende-eeuws Holland verandering in te brengen. Smithuis en Mol weten via nieuw onderzoek eerdere vermoedens en verbanden in de Friese historiografie te bevestigen. De bronnenkritiek speelt een belangrijke rol in de resultaten die Jongbloed, Keygnaert, Wilkin en Zuijderduijn weten te bereiken.

Dat zoveel wetenschap toch boeiend neergeschreven, en overzichtelijk voorgesteld wordt door middel van eenvormig gestructureerde artikels, een beknopt kritisch apparaat, nuttige illustraties en een duidelijke bibliografie is de verdienste van zowel de auteurs als de redactie van het Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis.

[Redactie] - Graag verwijzen wij u ook alvast naar de delen 13 en 14 van het Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis die recent bij Uitgeverij Verloren zijn verschenen.