De Duitse Orde in het Heilige Land

J.A. (Hans) Mol - Nicholas Edward Morton, The Teutonic Knights in the Holy Land 1190-1291 (Boydell Press, Woodbridge 2009) 242p. ISBN 978-1-84383-477-9 55,00£

De Duitse Orde geldt als een van de drie grote geestelijke ridderorden van Europa, naast de johannieters en de tempeliers. Hij is het laatst tot stand gekomen maar heeft zich desondanks tot een machtige organisatie weten te ontwikkelen. De grondslagen ervoor zijn gelegd in de eerste helft van de dertiende eeuw, zowel in het Heilige Land als in de Baltische gebieden. Gezien de grote conflicten tussen keizer en paus in deze periode, die negatief uitwerkten op de strijd om Jeruzalem en het behoud van de christelijke staten in de Levant, is het nogal opmerkelijk dat de Duitse Orde zo snel kon groeien en daarbij ook lange tijd zijn tweezijdige taak van vechten en verplegen wist uit te voeren.

En dat terwijl de broeders al spoedig hun aandacht en inzet moesten verdelen tussen Palestina enerzijds en Pruisen en Lijfland anderzijds. Daarover bestaat een uitgebreide literatuur, die hoofdzakelijk op naam staat van Duitse historici. Bekende namen in dit verband zijn Kurst Forstreuter, Hartmut Boockmann, Udo Arnold en Klaus Militzer.

Tot voor kort waren er nauwelijks Angelsaksische historici die zich met de Duitse Orde bezighielden. Ridderordegeschiedenis kan in Engeland en Amerika wel op veel interesse rekenen maar de hoofdaandacht gaat daar doorgaans uit naar de tempeliers en de johannieters. Dat zal wel komen omdat alleen die beide orden goed in het middeleeuwse Engeland en haar gebiedsdelen in Frankrijk vertegenwoordigd was. In deze situatie is nu, zeker wat de eerste eeuw van de Duitse Orde betreft, verandering gekomen door de publicatie van het proefschrift van Nicholas Morton over de Duitse Orderidders in het Heilige Land tussen 1190 en 1291. Het in het najaar van 2009 gepresenteerde boek komt niet zomaar uit de lucht vallen. Morton studeerde bij de bekende Londense kruistochthistoricus Jonathan Phillips, die op zijn beurt een leerling is van de zo mogelijk nog bekendere Jonathan Riley-Smith, die zijn dissertatie wijdde aan de vroege geschiedenis van de johannieters. Hij staat dus duidelijk in een traditie die er niet wars van is grote onderwerpen uit de kruistocht- en ridderordegeschiedenis aan te pakken.

De vraag die zich bij een dergelijke studie meteen voordoet is of de auteur erin geslaagd is een nieuwe lijn uit te zetten of de lezer tenminste een paar verrassende gezichtspunten aan te bieden. Dit dan ten opzichte van de bestaande historiografie, die nog niet zo lang geleden op kundige en heldere wijze is samengevat door Klaus Militzer in zijn Von Akkon zur Marienburg: Verfassung, Verwaltung und Sozialstruktur des Deutschen Ordens, 1190-1309 (Marburg 1999). De auteur zelf laat zich daar niet expliciet over uit. In zijn inleiding stelt hij wel dat de Duitse Ordegeschiedschrijving haar hoofdaandacht tot dusver sterk heeft gericht op de werkzaamheid van de orde in Noordoost-Europa, zonder overigens zijn aanwezigheid in het hoofdtheater van het Heilige Land te verwaarlozen. Wat dat laatste betreft zou ze zich geconcentreerd hebben op de problematische ontstaansgeschiedenis en de eerste goederenverwerving. De kwestie van de voorrang der belangen na de succesvolle ontplooiing in het Noordoosten sinds 1230 zou meer vanuit noordelijk dan vanuit zuidelijk perspectief zijn bezien. Hij zelf lijkt het te willen omdraaien. Vandaar ook de titel, al mag daarbij worden opgemerkt dat Morton wel degelijk probeert de Pruisische en Lijflandse ontwikkelingen in zijn verhaal te betrekken. Het laat zich dus ook lezen als een Engelstalige monografie over de eerste eeuw van de Duitse Orde als geheel.

Het boek is min of meer in twee delen opgezet, zij het met doorgenummerde hoofdstukken. Het eerste deel biedt in acht capita het chronologische verhaal van de politieke, economische en diplomatieke ontwikkeling in de Levant, van de stichting bij Akko tot de verdrijving uit die stad in 1291. Het tweede richt zich in twee afsluitende hoofdstukken op de instituties en het organisatorische skelet van de orde. Waarbij dan na de conclusie nog enkele interessante bijlagen worden geboden, met gegevens over bezittingen, itineraria van de meesters, en overzichten van de landmaarschalken en de groot-commandeurs van de orde. In deze gedeelten wordt in aansluiting bij soortgelijk werk dat verricht werd voor de tempeliers en johannieters nagegaan hoe en in welke mate de centrale leiding in Akko greep wist te houden op het totaal van de activiteiten.

Het betoog leest makkelijk. Vrij vlot maar toch op basis van primair bronnenmateriaal wordt de uitbouw van de orde in de eerste dertig jaar beschreven, met veel aandacht voor de vier pijlers: keizer, de paus, de hoge aristocratie in het Heilige Land en de diverse machtspartijen binnen het Duitse Rijk. Belangrijk was de dragende rol van de orde bij de voorbereidingen en de organisatie van de vijfde kruistocht, richting Damiate. Bepalend voor de verdere expansie was uiteraard de figuur van Hermann von Salza, grootmeester van 1210 tot 1239, die veel mogelijkheden aangreep - juist ook in rustige perioden voor het Heilige Land - om de orde elders langs de grenzen van de christenheid in te zetten, in Hongarije, Pruisen en Lijfland. Met zijn diplomatieke gaven wist hij de steun van zowel de paus als de keizer te verwerven en hen soms ook met elkaar te verzoenen. Een vervelend gevolg van zijn veelzijdige inzet was dat de orde bij zijn dood een te veel met aan taken had en tegelijk met tegenwerking van beide patroons te maken kreeg. De vernietigende nederlagen die de orde in 1242 en 1244 in Lijfland (slag tegen de Russen bij het Peipusmeer 1242) en de Levant (slag tegen Egypte en de Kwarazmianen bij la Forbie 1244) leed, brachten hem op de rand van de afgrond. Morton weet duidelijk te maken dat de opvolgers van Hermann von Salza beurtelings voor paus en keizer, en voor Pruisen en Palestina kozen. Na de dood van keizer Frederik II bleek het weer mogelijk de activiteit in het Heilige Land te vergroten, onder meer doordat de toevoerlijnen via de ordecentra in Zuid-Italië hersteld konden worden. Met name grootmeester Anno von Sangershausen lijkt na 1256 veel in Akko en omgeving te hebben geïnvesteerd. Voor de Duitse Orde in de Nederlanden was die ontwikkeling niet zonder belang omdat broeders uit onze streken juist toen in het Heilige Land en Italië lijken te zijn ingezet. Het kan zijn dat dit in Utrecht en omgeving weerklank heeft gevonden, waardoor de orde hier toen ook verder kon expanderen.

Wie de studie van Militzer kent zal niet opkijken van de resultaten van Morton. Van belangrijke retouches is geen sprake. Waar hij bijvoorbeeld commentaar levert op Udo Arnolds kwalificatie van de vroege Duitse Orde als een huisorde van de Hohenstaufen, kan meteen worden opgemerkt dat Arnold zelf al de nodige mitsen en maren had geformuleerd. De waarde van Mortons werk ligt inhoudelijk in de kleine nuances, in de discussies die hij met Militzer en Boockmann voert over bijvoorbeeld de motieven en aanleidingen voor de koersveranderingen der diverse grootmeesters na Von Salza. De belangrijkste bijdrage ligt echter in het op leesbare en bevattelijke wijze presenteren van de meest dynamische periode van de Duitse Orde voor een Engelstalig publiek.