Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 2007

Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 2007

Bas Diemel - B.J.P. van Bavel e.a. (red.), Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 10|2007 (Hilversum: Verloren: 2008), ISBN 9789087040123, €29,00

Het Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis (2007) bevat een zevental artikelen. Deze beslaan zowat de gehele Middeleeuwen; beginnend met de bijdrage van Theo Riches over het elfde-eeuws Gesta episcoporum Cameracensium en eindigend met het artikel van Martha Howell over handel en huwelijk in de Late Middeleeuwen. De bundel wordt afgesloten met een balans van een halve eeuw statistisch onderzoek binnen de Belgische mediëvistiek van de hand van Erik Aerts.

Centraal in het eerste artikel van Riches staat het manuscript Den Haag, Koninklijke Bibliotheek 75 F 15, dat zoals hierboven reeds gemeld, de daden van de bisschoppen van Cambrai (Kamerijk) bevat; het Gesta episcoporum Cameracensium. Cambrai nam als gevolg van haar ligging op de grens van het Duitse en het Franse Rijk een speciale positie in binnen het tiende-eeuwse Noord-Europa. De graaf-bisschop van Cambrai was politiek een vazal van de Duitse Keizer, terwijl hij kerkrechterlijk ondergeschikt was aan de aartsbisschop van Reims, die traditioneel de Franse koningen kroonde. De belangrijkste conclusie van Riches is dat er niet twee, maar drie mogelijkheden zijn waarop we kunnen kijken naar dergelijke historiografische teksten. Bij het analyseren van gesta wijzen historici enerzijds op de structuur van deze teksten waarbij elke afzonderlijke gebeurtenis beschouwd wordt als een verdere ontrafeling van Gods masterplan en anderzijds zijn gesta lange tijd beschouwd als bron waaruit we de politieke gezichtspunten van de middeleeuwse auteur kunnen destilleren. Riches voegt daar een derde element aan toe, namelijk het geïntendeerde doelpubliek. Toekomstige lezers of generaties konden het manuscript zelf aanvullen, waardoor de tekst in verschillende contexten meerdere functies kon vervullen.

Nomen est omen. Met dit overbekende Latijnse spreekwoord begint Annelies Somers haar bijdrage over voornaamgeving in het graafschap Vlaanderen in de twaalfde eeuw. Dit artikel is een bewerking van haar licenciaatsverhandeling (Universiteit Gent, 2006). Zoals de auteur zelf opmerkt in haar inleiding probeert ze hiermee te voorzien in een niche in het historisch onderzoek, hetgeen zeer lovenswaardig is. Op basis van oorkonden en cijnsboeken komt Somers tot een overzicht van de namen die voorkwamen in het Vlaanderen van de twaalfde eeuw. In de rest van het artikel gaat Somers na in hoeverre deze namen ingedeeld kunnen worden in bepaalde categorieën, zoals religieuze namen, vorstennamen en literaire namen. Door dit te koppelen aan traditie, sociale positie en geografie, en de uitkomsten hiervan weer te geven in verschillende grafieken, ontstaat er een goed beeld van de voornaamgeving voor de onderzochte regio. In het derde artikel gaat Hans Janssen dieper in op ’s-Hertogenbosch, meer specifiek op de vroegste ontstaansgeschiedenis van deze Brabantse stad die zich binnen een tijdspanne van 150 jaar ontwikkelde van een onbetekende hertogelijke nederzetting tot een middelgrote Europese stad rond 1350. Aan de hand van zowel archeologische gegevens als informatie uit geschreven bronnen schetst Janssen een beeld van deze toch spectaculair te noemen groei, zeker in vergelijking met nabijgelegen steden als Eindhoven en Helmond. De uitstekende ligging van ’s-Hertogenbosch op een knooppunt van land- en waterwegen heeft ervoor gezorgd dat de stad uit kon groeien tot een bloeiend (inter-)regionaal centrum van handel en nijverheid. Deze welvaart uitte zich onder andere in de bouw en de aanwezigheid van een stadsmuur, een haven, een laken-, vlees-, en broodhal. Ook de stichting van een franciscanenklooster is een uitdrukking van de rijkdom en status van de stad. De groei van ’s-Hertogenbosch zorgde ervoor dat Eindhoven en Helmond overschaduwd werden door hun grote buurman en gingen fungeren als economisch en politiek achterland van ’s-Hertogenbosch. De relatief beperkte omvang van het artikel belemmert een echt grondige vergelijking tussen deze drie Brabantse steden. Wellicht is dit voer voor andere onderzoekers. Ook in het vierde artikel ligt de focus op het middeleeuwse Brabant. Sergio Boffa belicht hierin een onderwerp dat binnen de internationale mediëvistiek niet altijd op evenveel aandacht kan rekenen, namelijk de numismatiek of muntkunde. Aan de hand van de Brabantse ’denier’, een munt die vanaf het einde van de twaalfde geslagen werd, schetst Boffa de ontwikkeling van het hertogdom Brabant van een tweederangs naar een dominante politieke entiteit. Een belangrijke rol hierbij was weggelegd voor de steden, die de monetaire en financiële politiek van de hertogen ondersteunden. Vergelijkbaar onderzoek voor Vlaanderen laat een gelijkaardig beeld zien van de samenwerking tussen vorst en stad.

Dat de relatie tussen de vorst en de middeleeuwse stad niet altijd koek en ei was, laat Jelle Haemers zien aan de hand van de Vlaamse Opstand (1482-1492), waarin de Vlaamse steden en de aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk lijnrecht tegenover elkaar stonden. Haemers gaat in zijn bijdrage dieper in op de rol die de Vlaamse adel, en meer specifiek Adolf van Kleef en Lodewijk van Gruuthuse hebben gespeeld in dit conflict. Anders dan in de latere Nederlandse Opstand zou het niet tot een definitieve breuk komen tussen de adel en de vorst. Haemers beschrijft op vaak beeldende wijze de politieke en economische keuzes die de twee genoemde edellieden ertoe brachten om in ’opstand’ te komen tegen Maximiliaan. Hierbij maakten ze handig gebruik van het machtsvacuüm dat was ontstaan na de dood van Karel de Stoute bij Nancy in 1477 en de ongelukkige val van haar paard van Maria van Bourgondië vijf jaar later. Van oorlog naar liefde is in dit Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis slechts een kleine stap. Als uitgangspunt van haar artikel neemt Martha Howell een brief waarin Jean Vallain senior, burger van Douai, en Marie de Paradis zijn vrouw, vastleggen dat ze hun eigendommen delen tijdens hun leven en na hun dood, omdat, zo stelt de tekst, ze hun bezit samen verworven hebben en omdat ze van elkaar houden. Howell onderzoekt hoe in de grote handelssteden van Noord-Europa mensen probeerden hun inkomsten te reguleren binnen de banden van een huwelijk. Het laatste artikel in dit jaarboek ten slotte behandelt de rol van de statistiek in de Belgische mediëvistiek. Allereerst geeft Erik Aerts een kort overzicht van hoe de statistiek haar intrede deed in de mediëvistiek. Een belangrijke voortrekkersrol hierbij werd gespeeld door historici en economisten uit de Franse Anneles-school. Aan de hand van een viertal krachtlijnen, zoals Aerts ze zelf noemt in zijn inleiding, namelijk de toenemende reflectie op het statistisch instrumentarium, het aanbod van nieuwe statistische technieken, de popularisering van de statistiek en het succes van computers dat statistiek ook voor leken gemakkelijker heeft gemaakt, maakt Aerts de balans op van een halve eeuw statistiek in België. Aerts sluit zijn bijdrage af met de hoop dat met de verdere ontwikkeling van de statistiek ook de samenwerking tussen mediëvisten en specialisten uit andere onderzoeksdisciplines zal toenemen.

De artikelen in het tiende Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis beslaan een breed spectrum van interessante onderwerpen gaande van laatmiddeleeuwse opstanden via voornaamgeving naar stadsgeschiedenis. Met de keuze voor de verschillende bijdragen hebben de redacteuren de diversiteit binnen de mediëvistiek goed in de verf gezet.