Editieproject visitaties Duitse Orde in stijl afgesloten

Visitationen im Deutschen Orden III

Rombert Stapel - Marian Biskup und Irena Janosz-Biskupowa hrsg., Visitationen im Deutschen Orden im Mittelalter. Teil III: 1528-1541, sowie Nachträge, Korrekturen und Ergänzungen, Orts- und Personenverzeichnis (Marburg 2008), Udo Arnold hrsg., Quellen und Studien zur Geschichte des Deutschen Ordens 50/III = Veröffentlichungen der Internationalen Historischen Kommission zur Erforschung des Deutschen Ordens 10/III, XVII-334p, index, krtn, ISBN: 978-3-7708-1320-9. €48,00.

Iets later dan aanvankelijk gepland is nu het derde en afsluitende deel uit de editiereeks Visitationen im Deutschen Orden im Mittelalter verschenen.

Voor wie al bekend is met de eerste twee delen (zie besprekingen Hans Mol in SIGNUM 15 (2003) 93-96; 16 (2004) 162-164), zal de opzet van het derde deel vertrouwd aanvoelen. Ook nu zijn - voor de jaren 1528 tot en met 1541 - de visitatieverslagen en allerhande daarbij behorende documenten bijeengezocht uit verscheidene Europese archieven, geëditeerd en chronologisch geordend. Bovendien neemt de balije Utrecht net als in de eerdere delen een prominente plaats in, dit maal vooral door de visitatie van 1539. Een kleine veertig pagina’s hebben betrekking op (de aanloop naar) deze visitatie.

Het hoofdbestanddeel van dit derde deel vormt zoals gezegd de visitaties uit de periode 1528 tot en met 1541. Niet alleen de visitatieverslagen zelf, maar ook allerlei documenten over de visitaties, zoals bijvoorbeeld instructies voor de visiteurs en correspondentie aangaande de (aanstaande) visitaties. In 1525 was het Pruisische ordebezit door de hoogmeester Albrecht van Brandenburg geseculariseerd en ontving hij het wereldlijke hertogdom Pruisen in leen van de Poolse koning. Door het wegvallen van de hoogmeester en de ordetak Pruisen, ging het hoogste gezag in de orde over naar de duitsmeester. Van 1526 tot 1543 was dat Walter van Cronberg, die zich vanaf 1527 tevens `administrator van het hoogmeesterambt’ mocht gaan noemen. Het is deze duitsmeester die verantwoordelijk is voor de visitaties van de balijen van het Duitse Rijk die in deze uitgave zijn opgetekend. Na zijn dood hebben er - tot en met het concilie van Trente, wat door de redacteurs als cesuur is gebruikt - geen visitaties meer plaatsgevonden.

Belangrijk onderdeel van het boek zijn ook de vele aanvullingen en verbeteringen op de oorspronkelijke verzameling documenten, bijna zestig pagina’s vol. De aanvullingen worden in de inleiding uitvoerig behandeld, en hebben vooral betrekking op de geïncorporeerde domkapittels in Pruisen en Lijfland en op vermeldingen van visitaties, opgedoken in archieven in Ludwigsburg en Marburg. Op twee kaarten, waarvan één los bijgevoegd, is de route van de visiteurs in 1451/1452 weergegeven. Ten slotte is er een uitgebreid register van persoons- en plaatsnamen uit de drie delen opgenomen. Transcriptiefouten uit de eerste twee delen zijn daar in verbeterd, al vind je nog wel hier en daar een klein verbeterpunt (de Tielse commandeurs Goderd Ingennuwlandt en Gottfried Gnüwelant zijn natuurlijk dezelfde persoon; met Johann von Miltwick wordt Johan van Naaldwijk bedoeld).

Keren we terug naar de visitatieverslagen in dit derde deel, dan blijkt dat niet alle balijen aan bod komen. Slechts zes van de dan twaalf balijen worden in opdracht van duitsmeester Walter van Cronberg gevisiteerd: Oostenrijk (1530), Lotharingen (1531), Koblenz (1531), Westfalen (1533), Aan de Etsch en in het Gebergte (Bozen) (1534), en Utrecht (1539). Voor de overige zes balijen zijn verschillende redenen voor het uitblijven van visitaties te schetsen. Franken stond in goede verbinding met Cronberg, die resideerde in Mergentheim; de balije Elzas had hij al persoonlijk bezocht in 1534. Bij de overige vier balijen, Marburg, Thüringen, Saksen en de voor een groot gedeelte in het huidige België gelegen balije Biesen, speelde een rol dat afscheiding of (in lutherse gebieden) secularisatie op de loer lag. Men was blijkbaar bang dat een visitatie in die gevallen een versnellend effect zou hebben op afscheiding, en de plannen voor deze visitaties zijn nooit van de grond gekomen. Visitaties van de ordetak in Lijfland zijn er niet meer geweest.

De verslagen van de zes balijen die we wel hebben, hebben elk een vergelijkbare opzet. De visiteurs kwamen naar een afgesproken locatie, doorgaans het hoofdhuis van de balije, waar zij een kapittel voor de balije bijeen moesten roepen waarbij alle broeders zich moesten melden. Aldaar werden de broeders aan de hand van een vaste vragenlijst ondervraagd. Zowel de instructies voor de visiteurs (inclusief vragenlijst) als de antwoorden zijn opgenomen in de editie. Daarbij wordt direct duidelijk dat de vragenlijst aanmerkelijk langer is dan de gemiddelde antwoorden van de broeders. Een pagina vol vragen over het geestelijke leven in de balije werd in de antwoorden afgedaan met een enkel zinnetje: ’In sollchem sei khein mangell’. En zo was het vaker. Er werd door de visiteurs in Utrecht nog gevraagd naar de gehoorzaamheid van de broeders, de kuisheid, persoonlijk eigendom, onderlinge eendracht, gedrag, kleding, het beheer van de balije (en de werving van broeders) en ten slotte de status van de goederen van de balije. Veelvuldig werden antwoorden genoteerd als ’Sagt, er wiss nichts’, ’Khein gebrech’, ’Jae’, ’Nayn’of, vooral tegen het einde van het verslag: ’Sagt, wie die andern’.

Dit alles betekent dat het even zoeken is naar de interessante opmerkingen die ons iets over het leven in de balije kunnen melden. Dat kan in enkele gevallen wel degelijk de moeite waard zijn. Zo krijgen we een behoorlijk duidelijk beeld van de werving van Utrechtse ridderbroeders, waar zo blijkt veel aandacht aan werd geschonken. En de opmerking van de stadhouder van de balije dat de commandeur van Leiden problemen had met zijn priesterbroeders (twee of meer dus), is erg nuttig voor een reconstructie van het aantal priesterbroeders in Leiden en in de balije in het algemeen. Lastiger is het om de leefstijl en observantie van de broeders af te leiden. Daarvoor zijn de antwoorden vaak te beknopt of clichématig geformuleerd. Bovendien is het moeilijk om de wat uitgebreidere antwoorden op waarde te schatten: ’Sovil die keuschheit belangen, so woll etwae mangell gewest, aber es hab sich gebessert und verhoeff, es soll sich mit der zeit mer bessern’weet de commandeur van Leiden te melden. En later: ’Spilen und schweren belangen das werd nit geübt, aber mit dem trunck weren es zu zeiten nach gebrauch des landes ungeverlich gehallten’. Gaat het hier nu om lokale problemen van de Leidse commandeur met zijn priesterbroeders, of vormt dit een algemeen beeld van de balije? En zelfs dan, wat kun je er nu uit concluderen? Een kritische houding is hier volgens mij geen overbodige luxe.

Een meer tastbare toepassing van de visitatieverslagen voor onderzoekers kan een reconstructie van het aantal broeders in de balije zijn. Eerdere visitaties, zoals de grote visitatie van 1451/1452, waren sterk gericht op het aantal ordebroeders in alle uithoeken waar de Duitse Orde was gevestigd. In 1539 werd naar het aantal ridderbroeders en ridder-expectanten nadrukkelijk gevraagd, maar in het totale aantal broeders (inclusief de priesterbroeders dus) was men niet geïnteresseerd. Er waren acht ridderbroeders in de balije actief, waarvan er zes zijn ondervraagd en twee met naam worden genoemd. Daarnaast zijn negen vraaggesprekken met priesterbroeders opgetekend. De broeders in Friesland werden apart gevisiteerd vanuit Utrecht, al is daar behalve een in de editie opgenomen instructie en een rekening geen bewijs van overgeleverd.

Recent is echter gebleken, dat er ook uit de rest van de balije behoorlijk wat priesterbroeders ontbreken (Stapel, ’Onder dese ridderen...’, Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 11 (2008) 205-248, aldaar 216-217). Waarschijnlijk zag niet elke broeder de mogelijkheid (of noodzaak) om naar Utrecht af te reizen, we missen vooral pastoors zonder commandeursambt en conventsleden. Hoeveel priesterbroeders we precies missen is moeilijk in te schatten, maar op basis van de huidige gegevens zou ik dat op minstens 15 inschatten. Het totaal zou dan uitkomen op ten minste 24 priesterbroeders, aanmerkelijk meer dan de negen interviews doen geloven. Ook wanneer het aantal broeders wordt bepaald is een kritische houding van de onderzoeker daarom vereist.

Met dit afsluitende deel van de reeks Visitationen ligt er voor de onderzoeker van de geestelijke ridderorden een belangrijk naslagwerk tot zijn of haar beschikking. Hoewel de eerste twee delen nog niet helemaal vrij van transcriptiefouten waren (zie besprekingen in SIGNUM), heb ik deze in het derde deel niet kunnen ontdekken. Het project is in stijl afgesloten. Het wachten is nu op het gebruik ervan. Uit de inleiding wordt al duidelijk dat de verwijzingen naar de reeks langzaam beginnen aan te trekken. De hierboven genoemde studie van mijn hand naar de priesterbroeders in de Utrechtse balije, waarin de Visitationen intensief zijn gebruikt, laat in ieder geval het nut van de serie duidelijk zien. Ik hoop dat er nog veel studies mogen volgen.