Even voorstellen: nieuwe onderzoeksprojecten (2x RU, 1x UvA, 1x RUG)

Graag bieden wij u hieronder de mogelijkheid kennis te maken met enkele nieuwe onderzoeksprojecten en de bijbehorende onderzoekers die direct of indirect zullen aansluiten bij de interesses van onze leden.

Cultural memory and identity in the Late Middle Ages: the Franciscans of Mount Zion in
Jerusalem and the representation of the Holy Land (1333-1516)

Het Heilige Land speelde, als achtergrond voor het leven van Jezus Christus en de Apostolische Gemeenschap, een grote rol in de constructie van een christelijke identiteit. Tussen 1333 en 1516 werd de representatie van het Heilige Land in West-Europa voor een belangrijk deel gevormd door de franciscanen van het klooster van de Berg Sion in Jeruzalem. Dit project zal onderzoeken hoe zij een bijdrage leverden aan de constructie van een cultureel geheugen van het Heilige Land in het middeleeuwse Westen. Door dit te doen, zal het project de brede kwestie van de constructie van een cultureel geheugen door verschillende media aan de orde stellen, waarbij de drie hoofddimensies worden onderzocht van de uitwerking van een cultureel geheugen van het Heilige Land in de late middeleeuwen: de rituelen, de visuele perceptie en de teksten.
Het onderzoeksproject zal ook bijdragen aan de meer algemene kwestie van hoe cultureel geheugen geconstrueerd door verschillende media in een specifieke en beperkte sociale groep (in dit geval de franciscanen van de berg Sion) zich uit kon breiden naar een bredere sociale context en de – in dit geval religieuze – identiteit van een bredere sociale groep kon beïnvloeden. Nederlandse pelgrims die de reis maar Jeruzalem maakten, werden daar rondgeleid door de franciscanen. De spiritualiteit en rituelen van de minderbroeders in Jeruzalem, moeten hun bedevaart literatuur en beleving van 'het Heilige Land,' eenmaal weer thuis, beïnvloed hebben. Zo voerden de franciscanen in de Heilige Grafkerk in Jeruzalem een ritueel uit waarbij zij adellijke pelgrims tot ridder van het Heilig Graf sloegen. Deze titel genoot bij thuiskomst zeer groot aanzien, en werd graag tentoongespreid in portretten en grafmonumenten, zoals bijvoorbeeld het graf van Anthonis Taets van Amerongen in de Dom in Utrecht.

Dr Michele Campopiano (UvA/York) bestudeert de rol van het geschrevene woord in de constructie van een cultureel geheugen van het Heilige Land. Hij is de editor van de afsluitende synthese van de project. Valentina Covaci (UvA) bestudeert de rol van de rituelen en de franciscanen in de constructie van een cultureel geheugen van het Heilige Land. En tot slot zal Marianne Ritsema van Eck (UvA) de rol van de visuele perceptie en de Franciscanen in de constructie van een cultureel geheugen van het Heilige Land bestuderen.

Books for the Divine Office in the Soeterbeeck Collection: A Contextual Analysis
Radboud Universiteit Nijmegen, Afdeling Nederlandse Taal en Cultuur
Institute for Historical, Literary and Cultural Studies (HLCS)
Research Programme Memory: Cultural and Religious Identities
Promovendus/uitvoerder: Ad Poirters MA
Promotoren: prof. dr. J.B. Oosterman, prof. dr. D.A.T. Müller
Copromotor: dr. J.G.M. Kienhorst
http://wwwextern.ubn.ru.nl/soeterbeeck/

Sinds 1997 bewaart de Universiteitsbibliotheek Nijmegen de oude bibliotheek van het voormalig klooster Soeterbeeck te Deursen-Ravenstein, bestaande uit ongeveer vijftig laatmiddeleeuwse handschriften en honderden gedrukte boeken uit de zestiende tot en met de negentiende eeuw. Deze periode beslaat het grootste gedeelte van de lange en bewogen geschiedenis van het klooster en de boeken vormen daarom een unieke kans om onderzoek te doen naar de ontwikkeling van een boekcollectie op de lange termijn en haar connecties met de geschiedenis. Het project neemt het grote aantal gebruikssporen in de circa 150 liturgische boeken van de Collectie Soeterbeeck als uitgangspunt voor het bestuderen van de onderlinge verbondenheid van de boeken en hun sociale relevantie als culturele objecten.
Het project probeert inzicht te krijgen in de manieren waarop de liturgische boeken functioneerden als materiële cultuur en als objecten die de interactie met hun gebruikers bewaarden en herdachten. De boeken worden onderzocht op hun gebruikslagen, in overeenstemming met de principes van de stratigrafie en de contextuele archeologie. Sporen van gebruik en aanpassing worden beschreven en gecontextualiseerd om zo tot een beter begrip te komen van de voortdurend veranderende rol die de boeken speelden in de kloostergemeenschap en van de dynamiek van hoe zij in de loop van de tijd met haar liturgische boeken omging. Centraal staan de gebruikssporen van rector Arnoldus Beckers (1772-1810), die te vinden zijn in een groot gedeelte van de collectie en verschillende manieren van omgang met boeken laten zien.

Herontdekt Brabants erfgoed: het koorgestoelte van Aarschot en het oeuvre van de koorbankmaker Jan Borchmans
Radboud Universiteit Nijmegen, Afdeling Nederlandse Taal en Cultuur
Institute for Historical, Literary and Cultural Studies (HLCS)
Research Programme Memory: Cultural and Religious Identities
Promovendus/uitvoerder: Christel Theunissen
Promotoren: prof. dr. Jos Koldeweij
Start: 1 april 2012

Het kunsthistorisch erfgoed van de koorgestoelten in de Zuidelijk Nederlanden is naar kwaliteit en beeldinhoud van internationaal belang. Ambachtslieden zoals schrijnwerkers en beeldsnijders uit de Zuidelijke Nederlanden beïnvloedden in hoge mate de vijftiende- en vroeg zestiende-eeuwse koorgestoelten elders, van Engeland tot Spanje: de makers zelf werkten door heel Europa en hun werk had naar vorm en thematiek grote invloed. Tot op heden heeft er relatief weinig onderzoek plaatsgevonden naar de werkwijze en de positie van deze ambachtslieden.

Mijn onderzoek is tweeledig waarbij in het eerste deel deze ambachtslieden centraal staan. Gegevens over de makers van de koorbanken zijn vaak summier bekend. Bijzonder is dan ook dat Jan Borchmans in contemporain bronmateriaal opduikt als schrijnwerker van een viertal koorgestoelten. Wie was deze Jan Borchmans? Wat was zijn positie als schrijnwerker? Met wie werkte hij samen? Was er sprake van een atelier en waar was hij werkzaam? Archivalisch en stilistisch onderzoek wordt ingezet om deze vragen te beantwoorden waardoor niet alleen inzicht wordt verkregen in het leven en werk van Jan Borchmans maar ook in de werkwijze van de middeleeuwse ambachtsman.

In het tweede gedeelte van mijn onderzoek wordt er ingezoomd op het bewaard gebleven werk van Borchmans: het koorgestoelte van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Aarschot (1515-1516) en de goed gedocumenteerde Oirschotse banken (1508-1511) die verwoest zijn in de Tweede Wereldoorlog. Het houtsnijwerk aan deze koorbanken met tal van religieuze en profane voorstellingen maakt deze ensembles representatief en sprekend voor het fenomeen. Ook hier geeft de figuratieve decoratie van de koorbanken, geplaatst in het meest sacrale deel van de voormalige kapittelkerk, een combinatie en dus directe confrontatie van religieuze en profane voorstellingen. Precies hierom vormt dit beeldsnijwerk een belangrijke en unieke, cultuurhistorische bron. Vooral het beeldsnijwerk van de misericorden roept vragen op omtrent hun betekenis: is er sprake van een beeldprogramma en in hoeverre zijn de voorstellingen te plaatsen in de laatmiddeleeuwse beeldtraditie? Dit deel van mijn onderzoek heeft als doel om het koorgestoelte van Aarschot en dat van Oirschot met de figuratieve sculptuur vollediger dan tot nu toe gebeurde te duiden en te plaatsen in de bredere samenhang van de laatmiddeleeuwse beeldtraditie.

Worshipping miraculous Marys. A socio-historical analysis of the cults of populist Marys in the late medieval Netherlands[fn]Proefschrift zal verschijnen in het Nederlands.[/fn]
Promovendus/uitvoerder: Lianne van Beek, MA (Rijksuniversiteit Groningen)
Promotor: prof. dr. Catrien Santing
Aanvang: september 2011

In 1381 begon in ‘s-Hertogenbosch een met gele verf en houtskool besmeurd Mariabeeld dat op de nominatie had gestaan om in stukken gehakt en opgestookt te worden (‘een verworpen beelt’[fn]Deze frase komt uit een gedicht over de eerste activiteiten van het beeld, geschreven rond 1400. In editie bij H. Hens, Mirakelen van Onze Lieve Vrouw te 's-Hertogenbosch 1381-1603 (Tilburg 1978) 151. [/fn]) wonderen te bewerkstelligen. In 1444 deed een klein pijpaarden Mariabeeldje, dat door een nonnetje op weg naar het Agnietenklooster in Amersfoort in het water was gegooid omdat ze zich ervoor schaamde, hetzelfde. Dertig jaar later werd in Antwerpen een wonderdoend Mariabeeldje aanbeden, dat bekend stond als ‘Onze Lieve Vrouwe op het Stokske’. Deze naam duidt erop dat het om een eenvoudig beeldje ging.[fn]W. H. Vroom, De Onze-Lieve-Vrouwe-kerk te Antwerpen. De financiering van de bouw tot de beeldenstorm (Antwerpen, Amsterdam 1983) 53.[/fn] De idee dat de maagd Maria een uitgesproken voorkeur had voor het eenvoudige en onaanzienlijke is wijd verspreid in de laatmiddeleeuwse samenleving. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in de exempelliteratuur uit deze periode.[fn]Bijvoorbeeld C. G. N. de Vooys, Middelnederlandse legenden en exempelen. Bijdrage tot de kennis van de prozalitteratuur en het volksgeloof der middeleeuwen (Groningen, Amsterdam 1974) 89 en 113.[/fn]
Naast het feit dat de drie voornoemde devoties eenvoudige of verguisde beelden als object van verering hebben, bestaat de theorie dat zij ook nog op een andere manier van andere bekende Mariadevoties te onderscheiden zijn.[fn]Zie met name W. H. Vroom, De Onze-Lieve-Vrouwe-kerk te Antwerpen. De financiering van de bouw tot de beeldenstorm (Antwerpen, Amsterdam 1983) 53 en Gerrit Verhoeven, 'Dat beghinsel van Onser Vrouwen. Het ontstaan van de cultus van Onze Lieve Vrouwe van 's-Hertogenbosch', in J. A. M. Van Oudheusden, ed. Ziel en zaligheid in Noord-Brabant. Vijfde verzameling bijdragen van de Vereniging voor de Nederlandse Kerkgeschiedenis (Delft1993) 40-60, aldaar 52.[/fn] Mogelijk hebben deze drie culten zich ontwikkeld in reactie op en in concurrentie met meer elitaire devoties in hun moedersteden. De keuze voor een verworpen beeld zou dan een veelbetekenende kunnen zijn. Zo werd in ’s-Hertogenbosch al sinds het begin van de 14e eeuw een Mariabeeld vereerd door de Illustere Lieve Vrouwebroederschap, dat alleen geestelijken en de hogere sociale klassen als gezworenen in zijn gelederen toeliet. Hun Mariabeeld was zo groot dat er meerdere mannen aan te pas moesten komen om het te kunnen verplaatsen.[fn]Toen de bejaarde koster Peeter Anthoniss in 1608 tijdens het verplaatsen met beeld en al van de sokkel was gevallen, besloot men dit Mariabeeld niet meer mee te dragen in de processie en een vervangend, lichter beeld te laten maken. G. C. M. Van Dijck, De Bossche optimaten. Geschiedenis van de Illustere Lieve Vrouwebroederschap te 's-Hertogenbosch, 1318-1973 (Tilburg 1973) 128, 244.[/fn]
In dit promotieonderzoek wordt de validiteit van deze theorie getoetst. Inmiddels is gebleken dat zij wat de casestudy van ’s-Hertogenbosch betreft, geen stand houdt.