Jaarboek over krachtige oorkonden en even geweldige stadswallen

Jaarboek MG 2011.jpg

Janick Appelmans – A.J.A. Bijsterveld, M. Boone, M.J.M. Damen e.a. (ed.), Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 14 (Hilversum: Verloren, 2011) 237p. ill. krtn. 29,00€ ISBN 978-90-8704-287-5

Het voorlaatste Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis boort in het merendeel van zijn bijdragen themata aan die tot de kern van het belangstellingsgebied van de Signumcontactgroep behoren. Met de benedictijner abt Folcuinus van Sint-Bertijns en de ontginningen van de Sint-Odulfusabdij en andere kloosters in het grensgebied van de huidige provincies Overijssel en Friesland reikt de geografische scoop van het verre zuiden tot het hoge noorden van de Lage Landen. Kapittels, abdijen en kloosters waren uiteraard de destinataris van veel overgeleverde oorkonden van gravin Johanna van Constantinopel. Verschillende monastieke kroniekschrijvers kleurden de legendarische rol van het Haarlemse zaagschip bij de verovering van Damietta en tot slot waren religieuze instellingen bij uitstek de locaties waar de memoriale band tussen levenden en doden in stand werd gehouden.

In A la recherche d’une méthode: le rapport entre la valorisation des archives et la perception de l’écrit diplomatique dans la composition du cartulaire-chronique bertinien de Folcuin (961-962) (p. 7-45) bestudeert Nicolas Mazeure hoe Folcuinus van Lobbes zich tijdens de redactie van zijn abtenkroniek van de benedictijnse Sint-Bertijns abdij bij Sint-Omaars bewoog in het spanningsveld tussen historische reconstructie en juridische bewijskracht. Met zijn werk wou de als oblaat ingetreden Folcuinus de eigenheid van de abdijgemeenschap op drie fronten kracht bij zetten: de autonomie van de eigen instelling (los van bijvoorbeeld graaf en kapittel), de superioriteit van de monniken tegenover de kanunniken en de ontwikkeling van het grondbezit. Hoewel, zo betoogt Mazuere, Folcuinus zijn opzet om de juridische en de historische insteek te combineren steeds trouw bleef, wijzigde zijn methodiek tijdens het redactieproces. Voor het merendeel van de vroegere periodes beschikte hij enkel over charters. De integrale opname van deze teksten beoogde, benevens een eerder bescheiden archieftechnische functie, niet alleen de legitimering van het goederenbezit, maar was eveneens historiografisch van opzet. Van zijn archivalisch métier en zijn oog voor een leesbaar historisch relaas getuigt de tussentijdse beslissing tot toevoeging van bijlagen met afzonderlijke oorkonden, waarvan alleen de annex van de elemosina overgeleverd is. Bijwijlen week hij af van de integrale transcriptie van de akten. De analyses van de oorkonden, die sterk leunden op de tekstuele weergave van de constituerende elementen van de diplomata, zijn niet bedoeld voor opzoekingen. Het was Folcuinus veeleer te doen om een bewijs te leveren van goed bestuur, dan wel juridisch materiaal aan te leveren voor toekomstige medebroeders. Ook als toegang tot het archief is de abtenkroniek niet van groot nut, omdat die zich niet zo makkelijk geografisch of administratief laat versnijden. Voor de meer eigentijdse tiende eeuw herhaalde Folcuinus de oorkonden niet meer woordelijk, maar vat hij de teneur van een ganse reeks documenten samen, zoals voor de charters van de cella van Stenetland. In tegenstelling tot vele contemporaine cartularia beoogde hij dus geen sterk juridisch document met thematische en topografische dossiers die de chronologie van de oorkonden aanvulden. Mazeure draagt veel voorbeelden aan die de nadruk meer leggen op de historiografische finaliteit van de Gesta abbatum, daar waar Laurent Morelle toch een groter gewicht toekende aan de het administratieve opzet van de cartularium-kroniek. Mazeure ontwaart doorheen het schrijfproces twee evoluties: hij stelt vast dat Folcuinus een beter inzicht in het abdijarchief verwierf en wijst op een historiografisch rijpingsproces, waarbij de kroniekschrijver gaandeweg merkte dat langlopende overnames uit charters en een dynamisch geschiedverhaal moeilijk combineerbaar zijn.

Voor de ‘Datering en fasering’ van het wijzigende landschap en de rechtsverhoudingen bij De middeleeuwse veenontginningen in Noordwest-Overijssel en Zuid-Friesland (p. 46-90) maakt J.A. (Hans) Mol een oorkondenanalyse en een bezitsreconstructie. Achtereenvolgens brengt hij de grote lijnen van het landschap en vooral de rivieroeverzone aan de oostzijde van de Almere, de latere kustlijn van de Zuiderzee, in kaart, reconstrueert hij de heerlijke rechten, zoals grafelijkheid, wildernisregaal en domeinheerschappij, en maakt hij detailstudies van de verschuivende topografie met ontginningsassen, kerken en bewoningskernen en de rechtsverhoudingen in IJsselham en Giethoorn. De combinatie van een monniken- en een kerkenland voert hem ertoe om de inplanting van een uithof van de Sint-Odulfusabdij in IJsselham te situeren. De benedictijnen splitsten uit het kerkenland een stuk land af om door lekenbroeders uit te baten. Diezelfde religieuzen uit Stavoren introduceerden de exploitatie van landerijen door lekenbroeders in de noordelijke gewesten. Mol besluit dat reeds tussen circa 1000 en 1050 de ontginning op basis van het tweeledig Karolingisch hofstelsel gelanceerd werd vanuit het bisschoppelijke (Utrechtse) domein te Vollenhove. In een tweede fase, te situeren rond 1050-1075, werden grote, direct achter de oeverwal liggende veenmosblokken te IJsselham en Giethoorn systematisch opengelegd, waarbij net als bij andere hellingvenen, vanop de oeverwal gestart werd. Waar deze grootschalige operatie zich nog situeerde binnen de vroondiensten die de bisschoppelijke horigen leverden voor het hof te Vollenhove, gebeurden de ontginningen in de periode 1075-1150 door vrije kolonisten die in ruil tienden en cijnzen afdroegen aan de bisschoppelijke landsheer.

Onder de noemer Tamquam domina superior (p. 91-112) brengt Els De Paermentier vanuit haar omvangrijke kennis en documentatie van grafelijke oorkonden een aantal besluiten over Gendering the Charters of Joan of Constantinople, Countess of Flanders and Hainaut (1212-1244). Dankzij haar twee huwelijken met Ferrand van Portugal (1212-1233) en Thomas van Savoie (1237-1244), de lange gevangenschap (1214-1227) van haar eerste echtgenoot in een Franse kerker en haar weduwenbestaan (1233-1237), zijn gravin Johanna’s oorkonden een dankbaar studieobject. Ook met een man aan haar zijde vaardigde zij zowel alleen eigen en als evenzeer gezamenlijke oorkonden uit. In schenkingen aan abdijen trad zij, als leenvrouw én erfgename, vaak samen, maar na haar echtgenoot, de leenheer, op, terwijl zij de beschikkingen waarmee zij haar ambtenaren met opdrachten gelastte, alleen uitvaardigde. Ingeval de religieuze instellingen enkel een charter van de gravin hadden ontvangen, streefden ze er vaak naar om ook een bevestiging van haar echtgenoot te bemachtigen. Dezelfde mannelijke superioriteit uitte zich in het voorgaan van een mannelijke oorkonder van gelijke sociale rang op de gravin in de intitulatio. Van zulk een voorrang was uiteraard geen sprake wanneer de medeoorkonder minder hoog op de sociale ladder stond. In verschillende oorkonden expliciteert de gravin duidelijk haar juridische bekwaamheid om als wettige landsheer over haar gebieden te regeren, tot zeer lang na het verdwijnen van haar vader, Boudewijn van Constantinopel (°1171-†1205). Enkel gedurende haar tweede huwelijk stelt zij zich in haar charters voor als gevolmachtigd stadhouder van haar echtgenoot.

In De ketting van Damietta, een Haarlems zaagschip en Willem I van Holland (p. 113-149) onderzoekt Jaap van Moolenbroek het ontstaan van een stukje vermeende Hollandse bravoure, namelijk hoe graaf Willem (1203-1222) en Haarlemse burgers met een schip waarvan de boeg en de kiel met getand ijzer beslagen waren, de toegang tot de haven en de stad voor de kruisvaarders wisten te openen. Als beloning voor zoveel heldenmoed verkregen de Haarlemmers van de keizer een nieuw stadswapen. Om ‘de wording en standaardisering van een kruistochtmythe’ te ontrafelen, bestudeert hij achtereenvolgens onder meer het verbeeldingsrijke en overdreven verhaal van de Egmondse priester Johannes de Beke, de Nederlandse vertaling door een Utrechtse stadsklerk, de opsmuk door de Clerc uten laghen Landen, de nadruk op de heldendaden van de Haarlemse burgers door de sprookspreker Diric Matthijszen en in het Gouds kroniekje, de standaardisering door de karmeliet Jan Gerbrandszoon van Leiden (†1504) en de eerste kritische opmerkingen van de hand van de Goudse medicus en literator Reinier Snoy (†1537). Van Moolenbroek merkt op dat er een probleem is met het tweede kernelement van het verhaal, namelijk de beloning van de stad Haarlem door de Duitse keizer middels een nieuw stadswapen dat aan de heldendaden refereert. Wapenverleningen door vorsten, en specifiek door de Duitse keizer ten gunste van steden, vonden immers pas vanaf 1400 ingang. De auteur toont aan dat het verhaal van het zaagschip pas ontstond in de loop van de veertiende eeuw, nadat een nieuwe Haarlemse stadszegel, met zwaard, kruis en vier sterren, verbonden werd met de omstreeks 1346 neergepende fantastische passage over de verovering van Damietta in Bekes kroniek.

In Defense, Authority, and City Limit: the fortifications of Lille in the late Middle Ages (p. 150-182) toont Ellen Wurtzel aan dat via een niet rechtlijnig verloop de idee algemeen ingang vond dat stadswallen tot het stedelijke publieke domein behoorden. Het principe van onteigeningen of de omslag van belastingen voor de bouw of de uitbreiding van stadsversterkingen werd niet betwist, de omvang van de verschuldigde taxatie of voorgestelde compensatie daarentegen wel. De Rijsselse schepen stelden in 1500 dat het, bij delegatie van de graaf van Vlaanderen, tot hun taak behoorde om op de stadsverdediging toe te zien en op het openen en sluiten van de stadspoorten.

In hun syntheseartikel Researching Medieval Memoria: Prospects and Possibilities (p. 183-234) beschouwen Truus van Bueren, Kim Ragetli en Arnoud-Jan Bijsterveld het memoriaonderzoek vanuit verschillende invalshoeken. Na een bundeling van de bibliografische en overzichtsstudies en bij het overlopen van de belangrijkste monografieën, bundels, projecten en andere mijlpalen staan zij stil bij het concept van memoria, dat zij, net als Otto Gerhard Oexle, als een omvattend maatschappelijk fenomeen beschouwen, waarin, in navolging van Caroline Horch, vier kenmerken steeds terugkeren: de gemeenschap van de levenden en de doden, de (uitgebeelde) aanwezigheid van de doden te midden van de levenden, de tussenkomsten van de levenden ten voordele van de doden en omgekeerd en de zorg opdat ook in de toekomst deze handelingen gesteld zullen worden. Ook al wekken de begripsomschrijvingen van memoria de indruk dat het onderzoeksgebied helder is afgelijnd, toch grijpt de definitie in het MeMO-project (Medieval Memoria Online) naar de kern en biedt het aangrijpingspunten om handelingen gesteld in het kader van de zorg voor het heden en het hiernamaals vanuit heel diverse perspectieven te beschouwen en te bestuderen: ‘Memoria is the creation and expression of a community of the living and the dead who look after each other’s interests to secure eternal salvation’. Rijkelijk geïllustreerd met concrete onderzoeksvoorbeelden bespreken de auteurs de onderzoeksopzetten, de aangeboorde bronnen en de mogelijkheden, hindernissen en valkuilen van onderzoek over de grenzen van diverse vakgebieden heen. Zij beschouwen de verschillende betrokken partijen, hun doelstellingen en hun houding bij de instelling en bij de continuering van memoria. Alvorens suggesties voor toekomstige onderzoeksvragen aan te reiken bespreken de auteurs de gratis raadpleegbare MeMO-database (http://memo.hum.uu.nl/database/), die vier clusters middeleeuwse bronnen voor Nederland ontsluit, te weten grafmonumenten en –zerken, memorievoorstellingen, memorieregisters en verhalende bronnen die een rol speelden binnen de dodengedachtenis.