Salome Sticken (1369-1449) en de oorsprong van de Moderne Devotie / Twaalf kapittels over ontstaan, bloei en doorwerking van de Moderne Devotie

Van Dijk

Tom Gaens – R.Th.M. van Dijk, Twaalf kapittels over ontstaan, bloei en doorwerking van de Moderne Devotie, red. C. Caspers & R. Hofman [Middeleeuwse studies en bronnen, 140], Hilversum: Verloren, 2012; R.Th.M. van Dijk, m.m.v. R. Hofman, Salome Sticken (1369-1449) en de oorsprong van de Moderne Devotie [Bibliotheca dissidentium neerlandicorum], Hilversum: Verloren, 2015.

De hier besproken boeken vormen het laatste werk van de recent overleden karmeliet Rudolf van Dijk (1935-2015). In het eerste volume, een bundel waarin Van Dijk twaalf eerder verschenen bijdrages in bijgewerkte (en soms omgewerkte) versies samenbracht, karakteriseren de redacteuren Charles Caspers en Rijcklof Hofman hem als “vrouwenbroeder en kenner van de Moderne Devotie” (C. Caspers & R. Hofman, ‘Rudolf Th.M. van Dijk. Vrouwenbroeder en kenner van de Moderne Devotie’, in: Twaalf kapittels, p. 9-16).

Van Dijk was lange tijd geleden pastor van de “Windesheimse” augustinessen van het intussen ter ziele gegane klooster Soeterbeeck te Deursen. Voor zijn doctoraat in de Letteren waarop hij in 1986 cum laude promoveerde te Nijmegen met een proefschrift over de Windesheimer regelgeving had hij zich bovendien verplicht gevoeld om zich te concentreren op de constituties van de vrouwenkloosters. Van Dijk nam het dus al vroeg – gewild en ongewild – op voor de “vrouwelijke devoten”, die “in de geschiedschrijving niet de plaats hebben gekregen die aan hen toekomt”. Het tweede boek, dat postuum verscheen, bekijkt de spiritualiteit van de vroege Moderne Devotie vanuit de figuur van een vrouw uit deze periode: Salome Sticken (†1449). De kartuizer die op de omslag van Twaalf kapittels prijkt, symboliseert dan weer een ander belangrijk aspect in Van Dijks werk. Vanuit zijn onderzoek naar de Windesheimer constituties, die (voor een gedeelte) teruggaan op die van de kartuizers, maar vooral vanuit zijn studie van de brieven van Geert Grote, heeft Van Dijk zich immers ook beziggehouden met de Beziehungen tussen de kartuizers en de vroege moderne devoten.

De “twaalf kapittels” van het eerste volume zijn enigzins arbitrair verdeeld in vier groepen. De eerste reeks, getiteld ‘Geert Grote’, bestaat uit Van Dijks gedetailleerde beschrijvingen en prachtige vertalingen van twee “cartusiaanse” brieven van de Deventer koopmanszoon (‘Raadgevingen voor een kartuizernovice. Geert Grote en zijn Brief over een nieuwe monnik’, p. 19-44; ‘Bemoedigende wenken voor een wankelmoedige kartuizer. De brief van Geert Grote aan Hendrik van Alkemade’, p. 45-84), en uit een omvangrijke wordingsgeschiedenis van de Opera omnia van diens werken (‘Titus Brandsma en de editio critica van de verzamelde geschriften van Geert Grote. Geschiedenis van een editieproject’, p. 85-126). De tweede groep ‘Windesheim’ brengt bijdragen samen, waarvan de titel – zoals wel vaker in Van Dijks artikels – niet altijd volledig de lading dekt. De eerste bijdrage behandelt de kroniek van het Agnietenbergklooster buiten Zwolle, die door Thomas a Kempis werd geschreven (‘Tot vertroosting en ter herinnering. De Agnietenbergkroniek in het licht van de Moderne Devotie’, p. 129-198). Van Dijk weidt daarin stevig uit over Geert Grote, de verschillende verschijningsvormen van de Moderne Devotie (broeder- en zusterhuizen, tertiarissen, regulieren) en over de ruimte- en tijdsindeling in de Windesheimer kloosters. Deze bijdrage wordt afgesloten met verschillende van Van Dijks gekende bijlagen, waarin hij zijn ideeën over de ontwikkeling van de Moderne Devotie op schematische wijze weergeeft. De tweede bijdrage in deze groep (‘Vrouwelijk Windesheim. De uitstraling van mater Salome Sticken’, p. 199-224) opent dan weer met een lange uitweiding over het bovenvermelde Soeterbeeck, gevolgd door een historische inleiding tot en een vertaling van Salome Stickes Vivendi formula. De derde bijdrage handelt grotendeels over de middeleeuwse, moderne maar vooral over de hedendaagse geschiedenis van de priorij Soeterbeeck (‘Dat oetmoedich fundament ende privilegie der susteren. Het leven van een reguliere kanunnikes in Soeterbeeck’, p. 225-244). De derde groep, getiteld ‘Spiritualiteit’, omvat de interessantste bijdragen van de twaalf: een eerste artikel over mystiek en kerkkritiek bij Geert Grote en over de volgorde van de boeken van de Imitatio Christi in de handschriftelijke overlevering (‘Spiritualiteit van de innigheid. Mystiek en kerkkritiek in de Moderne Devotie’, p. 247-280), een tweede bijdrage over de relatie tussen woord en beeld in het werk van Gerard Zerbolt van Zutphen (‘Thematische meditatie en het beeld. Visualiteit in de Geestelijke opklimmingen van Gerard Zerbolt van Zutphen’, p. 281-310), en een derde bijdrage, waarin Van Dijk terugkeert naar Thomas a Kempis’ Agnietenbergkroniek voor beschouwingen over de spiritualiteit van de devote regulier (‘De spiritualiteit van de devote regulier. Beschouwingen over de Agnietenbergkroniek van Thomas van Kempen’, p. 311-352). De vierde groep ‘Doorwerking’ opent met een bijdrage die beter in de vorige groep had thuisgehoord. Van Dijk gaat er dieper in op de begrippen devotus en devotio zoals die in de Imitatio Christi voorkomen (‘De devotie van de moderne devoot. Een kernbegrip in de Navolging van Christus’, p. 355-368). De groep ‘Doorwerking’ wordt afgesloten met een artikel over de kloosterhervormer Jan Busch, met aansluitend een vertaling van twee hoofdstukken uit diens Liber de reformatione (‘Johannes Busch op de Lüneburger Heide. Hervorming en verzet in het cisterciënzerinnenklooster te Wienhausen’, p. 369-396) en een lange bijdrage over de doorwerking van de Moderne Devotie tot in de negentiende en twintigste eeuw (‘Invloed van de Moderne Devotie in de negentiende en twintigste eeuw. Aanzet voor een receptiegeschiedenis van de Navolging van Christus’, p. 397-450). Tot slot bevat Twaalf kapittels een bibliografie van Rudolf van Dijk tot 2012 (p. 489-519).

Het tweede boek concentreert zich op het “vrouwelijk draagvlak van de Moderne Devotie”. Van Dijk maakt hier de keuze om dit volledig (en exclusief) op te bouwen rond de figuur van Salome Sticken, aanvankelijk zuster in het Meester Geerthuis en later koorzuster in het Windesheimse monialenklooster Diepenveen. De meeste gegevens over haar leven haalt Van Dijk uit de intussen veelbesproken zusterboeken. Zoals Rijcklof Hofman aangeeft in een ‘Preambule’ (p. 13-14) werden historische gegevens helaas minder of helemaal niet gebruikt. In een eerste hoofdstuk gaat Van Dijk dieper in op deze “devote biografiek”, waarbij hij onder meer het werk van Anne Bollmann bekritiseert, wanneer deze laatste spreekt over “devote zusterboeken” als specifiek genre in de Moderne Devotie. Van Dijk wil namelijk aantonen dat deze biografiek oorspronkelijk teruggaat op een veertiende-eeuwse dominicaanse traditie. Hierbij speelde volgens hem het dominicanessenklooster te Wijk bij Duurstede mogelijk een rol in het doorgeven van deze traditie. Van Dijks argumentatie is echter louter gebaseerd op gissingen en overtuigt niet echt, ook gezien het feit dat de devote zusterboeken pas rond het midden van de vijftiende eeuw ontstaan. In de daaropvolgende hoofdstukken worden achtereenvolgens de ruimere geschiedenis van de Moderne Devotie en van het Meester Geerthuis besproken, en gaat Van Dijk dieper in op de persoonlijkheid, de roeping, het (geestelijke) leiderschap en het charisma van Salome Sticken alsook op de spiritualiteit in de haar toegeschreven brief Vivendi formula. Van Dijks vertalingen van deze ‘Wijze van leven’ en van Stickens vita zijn beschikbaar in appendix, samen met een kritische paralleleditie van de Middelnederlandse tekst en een hertaling van de statuten van het Meester Geerthuis.

In de laatste jaren van zijn leven leed Van Dijk aan een lang aanslepende ziekte. Wellicht was hij daardoor niet helemaal meer op de hoogte van het onderzoek in zijn vakgebied. Zo blijft bijvoorbeeld ook in de heruitgave van zijn artikel over Geert Grotes brief aan een “wankelmoedige kartuizer” de geadresseerde van deze brief nog steeds geïdentificeerd met Hendrik van Alkemade, terwijl Rombert Stapel daar – intussen al weer enige tijd geleden – toch ernstige vraagtekens bij geplaatst heeft. Ook komt Van Dijks statische kijk op de Moderne Devotie als bestaande uit “drie vertakkingen” wat gedateerd over. Deze twee boeken moeten echter beschouwd worden als een mooie reflectie van en een evenwichtige terugkijk op de rijke wetenschappelijke erfenis van Rudolf van Dijk, waarin handschriftenkunde, kerkgeschiedenis en onderzoek naar de spiritualiteit op meesterlijke wijze hand in hand gaan. Aan de grondslag van Van Dijks doorleefde begrip van de spiritualiteit van de Moderne Devotie ligt zeker het bijzondere vertaalwerk dat hij in de loop der jaren produceerde van talloze teksten van auteurs als Geert Grote, Gerard Zerbolt van Zutphen en Thomas a Kempis. Vooral Twaalf kapittels lijkt mij onmisbaar op de boekenplank van eenieder die zich met onderzoek naar de Moderne Devotie ledig houdt.