Zusterkloosters in de Premonstratenzer Orde

Gerrit Verhoeven - H. Janssens (red.), Zusterkloosters in de Premonstratenzer Orde. Werkgroep Norbertijner Geschiedenis in de Nederlanden. Bijdragen van de contactdag 25 (Averbode 2015).

Met ijzeren regelmaat organiseert de Werkgroep Norbertijner Geschiedenis in de Nederlanden haar contactdagen. Elk voorjaar komen tientallen beoefenaren en liefhebbers van de studie van de orde bijeen. Dat gebeurt doorgaans op een plaats die in nauw verband met die geschiedenis staat en vaak zijn zelfs thema en locatie op elkaar afgestemd.

De bijdragen beperken zich niet tot een bepaalde periode, maar bestrijken de geschiedenis van de orde vanaf het ontstaan tot de huidige dag. De kwaliteit is vaak nogal wisselend, van genoeglijke causerieën tot doorwrochte bronnenstudies. De voornaamste inspirator van de werkgroep is Herman Janssens van de abdij Averbode. Hij neemt niet alleen het leeuwendeel van de organisatie op zich, maar zorgt er ook trouw voor dat de lezingen van de contactdag door zijn abdij in eigen beheer worden uitgegeven.

Op 28 maart 2015 vond in Houthem Sint-Gerlach de 25e contactdag plaats. Dit jubileum is een goede reden om hier weer eens aandacht te besteden aan deze sympathieke serie congresbundels. Het zou voor de hand hebben gelegen om ditmaal de plaatselijke heilige Sint-Gerlach centraal te stellen, maar omdat Anneke Mulder-Bakker al eens een lezing op een contactdag aan hem heeft gewijd, werd gekozen voor de norbertinessen als thema.

Het openingsartikel is van de hand van Ingrid Ehlers-Kisseler, een autoriteit op dit gebied. In vogelvlucht behandelt zij aan de hand van recent verschenen studies het ontstaan van aparte vrouwengemeenschappen in de orde. De ordestichter Norbertus stond dubbelkloosters voor, waar mannen en vrouwen naar het voorbeeld van de vroege kerk gezamenlijk een religieus leven konden leiden. Al spoedig na zijn dood in 1134 werden vrouwen echter steeds vaker ‘uitgeplaatst’, veelal naar een uithof met een kapel. Een strikte scheiding tussen mannen- en vrouwenkloosters was reeds voor het einde van de twaalfde eeuw het officiële standpunt van zowel de orde als de kerk in het algemeen. De praktijk was echter weerbarstiger dan de theorie en bovendien waren er grote regionale verschillen. In Frankrijk overleefden slechts drie vrouwengemeenschappen van de orde de dertiende eeuw. In het Duitse Rijk daarentegen kwam juist een groot aantal zelfstandige norbertinessenkloosters tot ontwikkeling. Die waren weliswaar niet allemaal even succesvol en sommige waren zelfs ronduit noodlijdend, maar ze wisten wel te overleven. De voornaamste verklaring ligt volgens de auteur in een doorgaans rijkere dotatie en krachtige steun van wereldlijke en vooral kerkelijke heersers. Zij laat zien hoe met name de aartsbisschoppen van Mainz en Keulen het ontstaan en het voortbestaan van premonstratenzer vrouwenkloosters sterk hebben gestimuleerd. Het artikel is zeer lezenswaardig, maar het evenwicht tussen het uiterst compacte betoog en de overvloedige annotatie is wel een beetje zoek. Meer dan de helft van de tekst bestaat uit voetnoten, die soms zoveel boeiende informatie bevatten, dat het moeite kost de hoofdlijn van het verhaal weer op te pikken. Wie zich in deze problematiek wil verdiepen kan daarom beter de veel uitvoerigere studie van Ehlers-Kisseler ter hand nemen, die intussen is verschenen in de Analecta Praemonstratensia.1

Na dit overzichtsartikel volgen drie stukken over individuele norbertinessenkloosters. Jac Bosmans, vooral bekend als parlementair historicus, geeft een overzicht van de geschiedenis van Sint-Gerlach in Houthem. Zijn verhaal is gebaseerd op literatuur, maar hij schroomt niet zich er kritisch over uit te laten en met nieuwe hypotheses te komen. Zo zet hij vraagtekens bij het gangbare verhaal dat Sint-Gerlach al vanaf zijn ontstaan in 1202 tot de norbertijner orde behoorde. In de eerste twee decennia zou het namelijk een dubbelklooster zijn geweest, wat moeilijk verenigbaar is met de politiek van de orde. Waarschijnlijker is volgens Bosmans dat de orde zich pas vanaf 1220 met Sint-Gerlach heeft ingelaten, toen er alleen nog vrouwen woonden. Onder het patronaat van de heren en vrouwen van Valkenburg en met de lucratieve cultus van de heilige Gerlachus als voorname bron van inkomsten wist het klooster zich verder te ontplooien als adellijk vrouwenstift. In de 17e en 18e eeuw was het een Spaanse en later Oostenrijkse enclave in een Staatse omgeving. Het aantal bewoonsters was zeer klein, maar dat verhinderde niet dat er indrukwekkende bouwprojecten werden ondernomen. Zo wisten de zes zusters die er in 1751 nog over waren, voor elkaar te krijgen dat de kerk werd voorzien van fresco’s. Bosmans heeft helaas geen antwoord op de voor de hand liggende vraag hoe dit alles werd gefinancierd. Het edict van 1783 betekende dat de kloosters in de Oostenrijkse Nederlanden tot uitsterven werden veroordeeld en twee jaar later werd Sint-Gerlach Staats grondgebied. De resterende zusters verbleven nog enige tijd in Roermond, waar de laatste in 1847 overleed. Hun voormalige kloosterkerk is sinds 1808 in gebruik als parochiekerk en is een van de topmonumenten van Nederland.

Jo Kuijpers behandelt in zeer kort bestek de geschiedenis van Keijsersbosch. Het dankte zijn bestaan aan het besluit van het dubbelklooster Averbode om zijn zusters uit te plaatsen naar zijn uithof in het Land van Horn. Volgens Kuijpers vond de stichting plaats tussen 1230 en 1246, maar Esther Koch wees er in haar proefschrift op dat er al in 1226 een kerk in aanbouw was. Ook de uitspraak dat de overplaatsing van de zusters in 1246 plaatsvond is onzorgvuldig. Uit dat jaar kennen wij de eerste vermelding van een proost en convent, maar die kunnen er gezien de bronnenschaarste al langer zijn geweest. Wat de middeleeuwse geschiedenis betreft voegt het artikel weinig of niets toe aan wat Koch en Van Genechten eerder en beter te berde hebben gebracht.2

Ten slotte gaat Stefan van Lani kort in op de geschiedenis van het Brabantse norbertinessenklooster ’s-Hertogeneiland. De auteur is op vertrouwd terrein, want hij inventariseerde het archief en publiceerde daar al eerder een zeer lezenswaardig artikel over.3 Het klooster werd in 1219 gesticht in een gedeelte van de burcht Pellenberg onder Leuven, naar verluidt speciaal voor de dochters van de plaatselijke ridder Renier van Udekem. In 1230 verhuisde de gemeenschap naar een passender plaats in Gempe onder Sint-Joris-Winge, tussen Leuven en Diest. Na een periode van bloei raakte het kloosterleven hier net als op vele andere plaatsen in de tweede helft van de 15e eeuw in verval – of misschien moeten we zeggen: toen werden de normen aangescherpt. ’s-Hertogeneiland raakte zijn relatieve onafhankelijkheid kwijt en werd onder direct gezag van de Parkabdij in Heverlee geplaatst. In de woelige periode van 1572 tot 1599 verbleven de zusters in hun refugiehuis in Leuven, waarna zij probeerden hun vrijwel volledig verwoeste klooster weer op te bouwen. Zij slaagden daarin wonderwel en een aantal van hen werd zelfs uitgezonden naar Keizersbosch om die in problemen geraakte gemeenschap weer op de been te helpen. In 1698 werd het klooster weer verheven tot proosdij. Na de opheffing in 1798 werden de gebouwen verkocht en gesloopt. Wel bleef een rijk archief bewaard, dat volgens Van Lani uitnodigt tot meer onderzoek.

De uitgave van de bundel is zoals gebruikelijk heel eenvoudig, maar hoeveel studiedagen en congressen zijn er niet waarvan we nooit meer iets kunnen teruglezen. Achterin staat een overzicht van de eerder in deze reeks verschenen titels. Wie daarvoor belangstelling heeft, kan zich in verbinding stellen met redacteur Herman Janssens (h.janssens@abdijaverbode.be). Het lijkt een goed idee om dit overzicht op de website van de abdij te plaatsen, met aanduiding of een titel nog leverbaar is. De reeks verdient een brede belangstelling.

  • 1. Ingrid Ehlers-Kisseler, ‘Die Prämonstratenserinnen im deutschen Sprachraum und ihr Verhältnis zu den geistlichen und weltlichen Herren’, Analecta Praemonstratensia 91 (2015) 5-88.
  • 2. V. Van Genechten, ‘Wederwaardigheden rond de reformatie van het Witvrouwenklooster te Keizerbos’, Analecta Praemonstratensia 53 (1977) 13-41. E.M.F. Koch, De kloosterpoort als sluitpost? Adellijke vrouwen langs Maas en Rijn tussen huwelijk en convent, 1200-1600. Maaslandse Monografieën 57 (Leeuwarden/Mechelen 1994) onder meer 43-44.
  • 3. Stevan Van Lani, ‘Administratie en archief van het voormalig Norbertinessenklooster van Gempe (’s-Hertogeneiland) in Sint-Joris-Winge: een lang en eeuwenoud verhaal), Analecta Praemonstratensia 73 (1997) 48-74.