Virtuoos relaas van een aan lager wal geraakte edelman die wapengekletter verkoos boven de stilte van een kartuis

Nobel streven.

Janick AppelmansFrits van Oostrom, Nobel streven. Het onwaarschijnlijke maar waargebeurde verhaal van ridder Jan van Brederode (Amsterdam: Prometheus, 2017) 383p. ill. index 24,99€ ISBN 978-90-446-3467-9

Jan van Brederode (°ca. 1372-†1415), telg uit een hoogadellijk Hollands geslacht, heeft veel watertjes doorzwommen. Achtereenvolgens beloftevol legeraanvoerder, mislukt huwelijkspoliticus, pelgrim en kloosterling, keerde hij met pauselijke dispensatie naar de wereld terug. Met groot schandaal poogde hij zijn echtgenote, inmiddels dominicanes geworden, tot eenzelfde stap te bewegen. Uiteindelijk sneuvelde hij anoniem als huurling op het slagveld. Enkel een ruim beslagen onderzoeker en auteur kan genuanceerd en gevat een leven met zo veel wendingen te boek stellen.

Frits van Oostrom is één van de grootste gestalten van de mediëvistiek op het scharnier van het tweede en het derde millennium. Hij nam het voortouw voor het recente overzicht van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, waarvan hij zelf de twee eerste volumes, Stemmen op schrift (2006) en Wereld in woorden (2013), voor zijn rekening nam. De mediëvisten grijpen echter minstens zo vaak naar de tientallen monografieën en bundels die in zijn reeks Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen verschenen. Nobel streven hoort daarentegen in het rijtje van Het woord van eer en Maerlants wereld, boeken die de middeleeuwen ook voor een breed publiek ontsluiten. Voor Het woord van eer (1987) kon Van Oostrom bogen op de rekeningen van de grafelijkheid om de context van de historiografische, moraliserende, hoofse en andere literatuur aan het Hollandse hof omstreeks 1400 in kaart te brengen. Maerlants wereld (1996) stoelde dan weer op het wijde oeuvre van de “vader der Dietse dichtren algader”.

Jan van Brederode is echter niet op één of enkele plaatsen vast te pinnen en heeft ook geen groot literair oeuvre nagelaten. De verschillende volte-faces in zijn biografie maken van hem een intrigerend figuur, die zowel in adellijke en religieuze milieus als in volkse herbergen en plaatsen van vertier heeft vertoefd. De keuze van deze beloftevolle, maar finaal compleet mislukte edelman als hoofdpersonage is zowel wijs als vermetel. Van Oostrom bracht de uitdaging tot een goed einde door, samen met zijn medeonderzoekers, een ruim scala aan bronnen en literatuur te raadplegen en de specialisten in elke niche aan te spreken. Voor de kartuizers zijn dat de Signumleden Tom Gaens, Krijn Panters en Rolf de Weijert en de academisch bibliothecaris van het Ruusbroecgenootschap, Frans Hendrickx.

De kartuizer connectie geeft het levensverhaal van Jan van Brederode op onnavolgbare wijze kleur. Toen de financiële druk van zijn schoonvader onhoudbaar werd, de Arkelse oorlog de Brederoodse kernbezittingen aantastte, een wanhopig project om zelf munt te slaan in Waalwijk faalde, en zijn huwelijk kinderloos was gebleven, besloten hij en zijn vrouw om het religieus habijt aan te nemen. Echtgenote Johanna van Abcoude (†1411) koos ervoor om als dominicanes in te treden in het door haar familie opgerichte Maria-Magdalenaklooster van Wijk bij Duurstede. De Utrechtse hulpbisschop Hubertus Schenck (†1408) legde zijn ambt neer om als spiritueel leidsman de zusters van het Magdalenaconvent uit te laten blinken in dominicaner observantie. De weerstand tegen de strenge leefregels en een door de zusters bij de paus ingediende suppliek om over te gaan naar de congregatie van Windesheim wist hij om te buigen.

Als regerend heer van een hoogadellijke familie koos Jan van Brederode voor de eenzame stilte van een bestaan als lekenbroeder in de adellijke kartuis van Sint-Jansberg te Zelem bij Diest. Gaf de uitzichtloze financiële situatie de doorslag of was er toch sprake van enige geestelijke roeping? Achteraf zou prior Gozewijn Comhaer (†1447) van het kartuizer generaal kapittel spitsroeden lopen voor de lichtzinnige intrede. Uiteindelijk heeft Gozewijns carrière er niet onder geleden, want hij werd ordeprocurator en tenslotte bisschop van Skálholt in Ijsland. Afkomstig uit een Deventerse familie van lakenhandelaren en wapenbroeder van Jan van Bederode in het Stichtse leger dat Coevorden in 1395 belegerde en innam, had de prior ongetwijfeld sympathie voor de ingetreden lekenbroeder. Alleszins vervoegde Dirk van Brederode (†1415), die al eerder het kartuizerkleed in Monnikhuizen bij Arnhem aangetrokken had, zijn jongere broer Jan in Zelem om hem met raad en daad tot volharding aan te sporen. Het literaire milieu waarin de broers Van Brederode terechtkwamen, inspireerde. In zijn cel vertaalde “bruder Jan van Brederode, convers der Catuser orden tot Seelhem” (tot 1408) de Somme le roi van de Franse predikheer Laurent d’Orléans in een eenvoudig Middelnederlands. Hij boogt in Des coninx summe op een rijke woordenschat, rechtstreeks geput uit het dagdagelijks taalgebruik, en beschikt over een uitgebreide kennis van de middeleeuwse maatschappij van binnenuit. Daarvan getuigen zijn passages over gradaties van ruziën, zijn doorgedreven kennis van bier en ander verlokkelijk vertier, de vele spreekwoorden en zegswijzen of nog de uitgebreide catalogus van beroepsactiviteiten.

In het eerste kwart van de vijftiende eeuw waren de Van Brederodes beslist niet voor het geluk geboren. Herhaalde en langdurige gevangenschap van verschillende telgen maakten de ambitieuze huwelijkspolitiek die Jan had uitgestippeld, onbetaalbaar. Jan reisde naar het Vagevuur van Sint Patrick in Ierland en stierf op het slagveld van Azincourt. Zijn tweede broer en ontsnappingskoning Walraven (†1417) raakte herhaaldelijk in krijgsgevangenschap, terwijl hun jongste broer Willem en diens echtgenote Margriet van der Merwede in 1451 in Frankrijk overleden tijdens de terugkeer van een Romereis. Dat een bedevaart in het kader van een jubeljaar wel vaker in mineur eindigde, bewees ook de koude kant, met het overlijden van Zweder van Abcoude in Toscane in 1400. Deze Kabeljouwse aanvoerder werd in een Italiaans franciscanenklooster begraven, maar zijn gebeente werd overgebracht naar het door hem gestichte kartuizerklooster Nieuwlicht bij Utrecht.

Het vervolg van deze recensie bespreekt twee belangrijke vondsten van de auteur en wijst op enkele nuanceringen. De gedurfde keuze om de avonturen van een Hoekse edelman en zijn familie doorheen de Lage Landen en Europa te volgen, brengt Van Oostrom bij Jacob van Gaasbeek (†1459). Deze jonge, maar geduchte concurrent voor de Van Brederodes om de bezittingen en het fortuin van Willem van Abcoude (†1407) binnen te rijven, wist zich bovendien gesteund door de Utrechtse bisschop Frederik van Blankenheim (†1423). Willem was Jacobs oom en tevens Jan van Brederodes schoonvader. Het Manboek, een uitgebreid overzicht uit 1408 met Jacobs Stichtse leenmannen en hun verplichtingen, vertoont echter enkele opvallende parallellen met het handschrift-Van Hulthem, te weten een vergelijkbare datering (1405-1408 voor Hulthem) en hoogstwaarschijnlijk eenzelfde kopiist (vastgesteld door Jos Biemans) (p. 181-184). Daarbij komt dat de tot nu toe als mogelijke patroons voor het Hulthemse handschrift naar voor geschoven Brusselse patriciërsfamilie Van Heetvelde geparenteerd was aan Gaasbeek. Tenslotte bevat het verzamelhandschrift niet alleen mirakelverhalen van Sint-Jan de Doper in Molenbeek bij Brussel, maar ook sproken van Hollandse dichter Willem van Hildegaersberch. Een patronage door de familie Van Gaasbeek-Van Abcoude zou alvast beter de brug tussen noord en zuid kunnen slaan. Na de moordaanslag op de Brusselse schepen Everard t’Serclaes in 1388 had de vermoedelijke opdrachtgever, Zweder Van Abcoude, uit veiligheidsoverwegingen zijn machtscentrum verlegd van het Brabantse Gaasbeek naar zijn Zuid-Hollandse heerlijkheden Putten en Strijen.

Aan Jans bewogen leven kwam een einde op het slagveld van Azincourt op 25 oktober 1415. De hamvraag daarbij bleef aan welke kant hij streed. Na veel opzoekwerk en het herwaarderen van bronnen die door de hedendaagse militaire geschiedschrijving terzijde geschoven waren, komt Van Oostrom tot de slotsom dat Jan van Brederode, zijn verschillende overzeese reizen indachtig, eerst zijn diensten aan de Engelse koning aanbood. Omwille van zijn kartuizer verleden werd hij echter gedesavoueerd en trok hij terug het Kanaal over. Te Rouen gaf hij op 20 augustus 1415 kwijting voor de inlijving van zijn compagnie in functie van het geplande ontzet van het door de Engelsen belegerde Harfleur. De belangrijkste bron voor de Engels-Franse kampwissel is de Vita Henrici Quinti van Tito Livio de Frulovisi uit 1438. Deze Italiaan behoorde tot de hofhouding van Humphrey, hertog van Gloucester (†1447), jongste broer van Hendrik V (†1422) en goed geïnformeerd over Holland door zijn huwelijk (1422-1428) met gravin Jacoba van Beieren (†1436). Tito Livio verhaalt hoe de Engelse koning te Southampton niet wou ingaan op de diensten van een Hollandse edelman (Olandinus) die met pauselijke dispensatie het kartuizer leven de rug toegekeerd had. De edelman trok vervolgens naar het vijandige kamp om jammerlijk te sneuvelen. Het verhaal van die fatale kampwissel was al in de zeventiende eeuw opgepikt door de kartuizer historicus Charles Le Couteulx (†1715) in de Annales Ordinis Cartusíensis ab anno 1084 ad annum 1429.

Wat het wapenschild van de familie (p. 10-11) van Brederode betreft, wil Van Oostrom vooral de nadruk leggen op de constructie van een prestigieus familieverleden door de vijftiende-eeuwse karmeliet en kroniekschrijver Jan van Leiden. Maar het is duidelijk dat de weinig esthetische barensteel voor een jongere familietak staat en geen uitstaan heeft met bastaardij.

Van de Brabantse hertog Anton, die op het slagveld van Azincourt in 1415 was gesneuveld, situeert Van Oostrom de “staatsbegrafenis in de Sint-Jan te Brussel” (p. 275). In de aantekeningen op de website http://nobelstreven.nl verwijst hij voor de deelname van eerste Brabantse hertog uit het Bourgondische huis aan de noodlottige Franse veldtocht naar het uitstekende artikel Antoine de Bourgogne et le contingent brabançon à la bataille d’Azincourt (1415) van Serge Boffa in het Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis (1994). Zoals steeds is Boffa uiterst goed gedocumenteerd en middels zeer veel bronverwijzingen situeert hij de uitvaartplechtigheid in de Brusselse Sint-Goedelekerk en de begraafplaats in de Sint-Janskerk van Tervuren, slechts enkele honderden meters verwijderd van het voormalige hertogelijk kasteel aldaar. Deze voorstellingswijze komt volledig overeen met het relaas van de Chronica nobilissimorum ducum Lotharingiae Brabantiaeque et regum Francorum. In het honderdzevenentwintigste kapittel van het zesde boek verhaalt hertogelijk secretaris Emond de Dynther (†1449) dat op de terugweg de hele nacht van Allerheiligen gewaakt werd bij het lijk van hertog Anton in de Halse Onze-Lieve-Vrouwekerk (thans officieel gekend als de Sint-Martinusbasiliek). ’s Anderendaags werd zijn stoffelijk overschot naar Brussel overgebracht. Afgevaardigden van de drie staten van Brabant waren de lijkstoet tussen het Henegouwse Halle en Brussel tegemoet gereden om samen de hoofdstad binnen te rijden, alwaar de plechtige uitvaart in de Sint-Goedelekapittelkerk werd gecelebreerd. Daags nadien, op 3 november, werd Anton begraven in de Sint-Janskerk van Tervuren, aan de zijde van zijn eerste echtgenote Johanna van Saint-Pol (†1407).

Wanneer Willem van Brederode in 1420 fier zijn vier heerlijke titels van Brederode, Gennep, Stein en Merwede in een oorkonde opsomt, stelt Van Oostrom dat dit met inbegrip van de heerschappij over Vianen overeenstemt met “belangrijke bezittingen in zowel Holland, Gelre, Limburg als het Sticht” (p. 328). De associatie van Stein met Limburg is evenwel iets te voorbarig, omdat Stein in de middeleeuwen geen deel uitmaakte van het hertogdom Limburg, noch van de Landen van Overmaas, die in personele unie door de Brabantse hertogen en hun rechtsopvolgers bestuurd werden.

Geboren in een hoogadellijk geslacht, heer dankzij de roeping van zijn oudere broer, gehuwd met een dochter uit een rijk geslacht: Jan van Brederode had alles om het te maken in het vijftiende-eeuwse Holland, maar faalde jammerlijk. Frits van Oostrom reist met de lezer in het spoor van het tragische hoofdpersonage en zijn familie middeleeuws West-Europa door, van Ierland tot Toscane, van Engeland tot de Elzas, van Normandië tot Friesland. Hij weet op onnavolgbare wijze huwelijksstrategie en diplomatie, ridderkrijg en kloosterleven, vertaalactiviteit en universitaire colleges tot een geheel te verbinden.