De abdij van Park en haar abdijdomein, van Haspengouw tot Noord-Brabant

Lani2019

Stefan Van Lani
Bijdrage aan het Signum Symposium 2018: Premonstratenzers en premonstratenzerinnen in middeleeuws Brabant

In het jaar 1129 schonk Godfried I met de Baard, graaf van Leuven en hertog van Brabant, zijn even ten zuidoosten van Leuven gelegen jachtpark aan de norbertijnen met de bedoeling om er de gelijknamige abdij te stichten. Tegelijkertijd stond hij ongeveer 350 ha land, bossen en weiden in Heverlee en omliggende dorpen af aan de religieuzen. De trend was gezet en de volgende eeuwen zouden schenkingen door Godfrieds opvolgers en particulieren, maar ook aankoop en ruil het domein van Park fors uitbreiden.

Conform het ideaal van ordestichter Norbertus van Gennep (1080-1134) streefden de norbertijnen van de abdij van Park twee doelen na: enerzijds het klassieke kloosterleven en anderzijds als priester-kanunniken apostolaat en parochiezorg in die dorpen, waar de abdij patronaatsrechten had en pastoors ter benoeming mocht voordragen. De samenstelling van het abdijdomein met zowel landbouwgronden, pachthoeven als pastorieën en kerken spiegelt zich aan deze missie van de norbertijnen.

Het domein kende een forse aangroei tijdens de twee eerste eeuwen na de stichting van de abdij (met onder andere de verwerving van de hoeves en gronden in Vossem-Tervuren, Egenhoven-Heverlee, Vinkenbos-Heverlee, Stokkel, Zoutleeuw, Bertem, Veldonk in Tremelo en Pont-à-Celles). In diezelfde periode slaagden de norbertijnen van Park er ook in om het netwerk van parochies met bijhorende pastorieën en kerken sterk uit te bouwen (voorbeelden zijn Werchter, Lubbeek en Tervuren). Nadien volgde een stagnering van de aangroei totdat in de 15de eeuw de patronaatsrechten van Kortrijk-Dutsel, Nieuwrode en Sint-Joris-Winge, drie Hagelandse parochies van het norbertinessenklooster van Gempe, plotsklaps de portefeuille aan parochies van de abdij uitbreidden.

Samen met deze patronaatsrechten werden tiendrechten verworven. Met de inkomsten uit deze tienden vergoedde de abdij haar pastoors en kapelaans in de dorpen waar ze de zielzorg organiseerde, hielp ze mee het kerkgebouw onderhouden en bouwde ze pastorieën voor haar buitenheren-pastoors. Van de abdij van Park bleven er geen middeleeuwse pastoorshuizen bewaard. Vaak werden wel in de zeventiende en de achttiende eeuw nieuwe pastorieën opgetrokken op bouwpercelen die al veel vroeger in het bezit waren van de abdij en waar voordien een pastoorshuis had op gestaan. Wat de hoeves betreft, is de situatie anders en hebben verschillende van de nog bestaande voormalige abdijpachthoven duidelijk een middeleeuwse bouwkern of oorsprong.

In de 16de eeuw – vooral vanaf 1567 – leed de abdij en haar domeinen onder de godsdienstoorlogen. Het Hageland, het kernland van de norbertijnen van Park kreeg het hard te verduren. De akkers bleven onbewerkt en de veestapel kromp fors in. Het herstel zou jaren vergen.

Met de komst van de aartshertogen Albrecht en Isabella keerde de rust enigszins terug in de Zuidelijke Nederlanden. Abt Jan Druys (1601-1635) slaagde er in om de abdij van Park naar de hoogste regionen van het maatschappelijk aanzien te sturen. Als privé-kapelaan van de aartshertogen had hij een vertrouwensfunctie bij de belangrijkste machtsorganen in de Nederlanden. Ondanks de door het centrale gezag aan kerkelijke instellingen opgelegde beperkingen om nog langer nieuw vastgoed aan hun domeinen toe te voegen (de zogenaamde bepalingen op de dode hand) slaagde abt Druys erin om het abdijbezit gevoelig te laten groeien. In 1620 sloot de prelaat een overeenkomst met de aartshertogen die graag het park van hun kasteelresidentie in Tervuren uitbreidden. De abt verkocht een aanzienlijk deel van het oud bosgebied dat de norbertijnen van Park in Vossem en Tervuren nog hadden gekregen van hun mecenas van het eerste uur, hertog Godfried met de Baard, aan de aartshertogen en kreeg in ruil niet alleen een fikse geldsom, maar ook het privilege om het verlies aan terrein te compenseren door aankopen. In 1619 kocht de abt de hoeve van Franche-Comté in het Waals-Brabantse Tourines-La-Grosse en in 1620 het hof Ten Bossche in Huldenberg. Een jaar later in 1621 volgde het kasteeltje, annex hoeve en landgoed Wilderhof in Bierbeek.

Onder het lange abbatiaat van Libertus de Pape (1648-1682) aarzelden de norbertijnen geenszins om de meeropbrengsten van het domein te investeren in de verfraaiing van het eigen huis. Uit die tijd dateren onder meer de prachtige stucwerkplafonds in de kloosterrefter en de bibliotheek. Omstreeks het midden van de 17de eeuw, toen de abdij zowel economisch als spiritueel een hoogtepunt beleefde, besloeg haar grondbezit iets meer dan 3300 ha, cijns- en tiendenland niet meegerekend. Een enorme oppervlakte die zich uitstrekte over 130 dorpen. Het eigenlijke bouwland bedroeg ongeveer 2472 ha, waarvan er 860 ha werd verhuurd aan kleine boeren. Het bosareaal besloeg een goede 800 ha. Circa 1612 ha was verdeeld over 19 grote en middelgrote exploitaties.

Hiermee behoorde Park niet tot de allergrootste abdijen in de Zuidelijke Nederlanden. Tongerlo bijvoorbeeld bezat meer dan 10.000 hectare en 40 parochies, maar Park had dan weer het voordeel dat het beschikte over rijke vruchtbare Brabantse zandleemgronden. De meeste pachthoeven waren daarom georiënteerd op de graanteelt. Graan dat in eerste instantie bestemd was voor de consumptie van het convent, maar ook uitgedeeld kon worden aan de armen of verkocht tegen een goede prijs.

Bezorgd om de administratieve homogeniteit van het uitgestrekte abdijbezit, gelastte abt De Pape de Tiense landmeters vader en zoon Subil om het gehele domein in kaart te brengen. Gedurende 10 jaar werkten de landmeters aan hun opdracht. Alle abdijgronden, hoeves, watermolens, huizen, pastorieën en kerken werden nauwgezet in kaart gebracht. In 1665 waren vier monumentale en fraai uitgetekende en verluchte kaartboeken het eindresultaat. Alle kaartboeken worden nog steeds in het abdijarchief bewaard. Elke landmeterskaart bevat een legende met de nummering van de percelen en hun respectieve oppervlaktes. Deze nummers corresponderen dan weer met de bijhorende leggers met een beschrijving van de percelen en met 31 registers of cartularia waarin de abt alle oorkonden met de rechtstitels van de abdijbezittingen nauwgezet liet overschrijven. Waarlijk een sluitend archiefsysteem dat tot op heden nog leesbaar is in het archief!

Op het einde van de 18de eeuw brak het revolutionaire Frankrijk radicaal met het eeuwenoude bestel van het Ancien Régime. Kloosters en abdijen werden opgeheven en hun bewoners op straat gezet. In de veilingzalen van de nieuwe departementen verkochten ambtenaren het bezit van de abdij Park.

Dankzij Everard Tops, een welwillende stroman, konden de Parkheren hun abdij met de aanpalende gronden terugkopen. De rest van het domein ging onherroepelijk verloren. Het duurde nog tot in 1836 vooraleer de abdij zich officieel kon heroprichten. Hoeven, landerijen en weiland bleken versnipperd over tientallen eigenaars. Wegens geldnood en een gebrek aan medewerking vanwege de nieuwe bezitters bleek recuperatie snel onmogelijk. Pastorieën en kerken werden toevertrouwd aan de nieuw opgerichte kerkfabrieken, maar kregen in het nieuwe België van de 19de eeuw soms nog opnieuw een norbertijn-pastoor als bewoner. Een traditie die tot op vandaag de dag hier en daar nog verder wordt gezet.

In Heverlee behield de abdij een restgebied van 42 ha, een minidomein met vijvers, landerijen, weides, groen- en stiltegebied. De abdijgebouwen worden er thans gerestaureerd met respect voor authenticiteit en functie én klaar gestoomd voor een nieuwe toekomst, ook in de 21ste eeuw.

Literatuur:
Stefan Van Lani, Abdij van ’t Park. Pachthoeven & landbouwdomein, Brussel, 1999.
Stefan Van Lani, ‘De abdij van Park en haar abdijdomein, van Haspengouw tot Noord-Brabant’, in: Janick Appelmans (ed.), Premonstratenzers en premonstratenzerinnen in Brabant [Eigen Schoon en De Brabander 102/1] (Asse: Koninklijk Historisch Genootschap van Vlaams-Brabant en Brussel, 2019), p. 38-48.