Een ambitieus kanunnik grijpt de macht. Joos Bruylant, Grimbergs abdijleven en intriges in de late vijftiende eeuw

Appelmans2019

Janick Appelmans
Bijdrage aan het Signum Symposium 2018: Premonstratenzers en premonstratenzerinnen in middeleeuws Brabant

Van de internetsurfer die de Grimbergse prelatenlijst opzoekt tot de onderzoeker die het Monasticon belge raadpleegt, allen krijgen voor de tweede helft van de vijftiende eeuw een abtenlijst voorgeschoteld die voorbij gaat aan het bewind van Joos Bruylant. Deze Grimbergse norbertijn, die in 1468 op canonieke wijze het abbatiaat verwierf en minstens tot 1480 deze waardigheid claimde met notariële akten en procedures bij de pauselijke curie, is weinig gekend, ja zelfs verguisd.

In de geschiedschrijving is de abdij van Grimbergen gedurende de tweede helft van de vijftiende eeuw weinig bestudeerd. De reden hiervoor is dubbel. Enerzijds bevatten de Grimbergse archieven nauwelijks originele en eigentijdse documenten. Slechts enkele stukken uit 1477 en 1480 bieden een retrospectie over gans de troebelperiode van 1468 tot 1480. Anderzijds heeft de complexiteit van de materie velen afgeschrikt.

De beeldvorming van Joos Bruylant werd eeuwenlang vertekend. Hoewel er in de vijftiende-eeuwse bronnen geen aanwijzingen te bespeuren vallen voor enig verband tussen Joos Bruylant en de commendataire abten van de Antwerpse Sint-Michielsabdij en Tongerlo, is dit verband in de geschiedschrijving van in de zeventiende tot diep in de twintigste eeuw steevast gelegd. Al die tijd had de historiografie geen oog voor de eigen dynamiek van de Grimbergse gebeurtenissen. Joos Bruylant was allerminst een eendagsvlieg. Zijn inspanningen werden in de vijftiende eeuw terecht omschreven als “la longue poursuyte [...] pour paruenir a la possession de ladicte abbaye”.

Na het overlijden van abt Jan Vranckx in 1465 gingen de Grimbergse norbertijnen over tot een abtsverkiezing. De keuze van Jan van Mechelen was geen verrassing. Deze afstammeling van Wouter III Berthout werd te Rome tot abt gepromoveerd op 26 juni 1465. Zijn abbatiaat was onfortuinlijk. De religieuzen bestempelden hem als een verkwister en klaagden zijn werelds leven aan. Prelaat Jan van Mechelen voelde zich eveneens ongelukkig bij de toestand en trachtte een uitweg uit de impasse te zoeken. Hij zocht contact met zijn proost Joos Bruylant. Middels een bilateraal contract droeg hij het abbatiaat over aan Joos Bruylant. In ruil voor de verzaking zou Jan van Mechelen een jaarrente van vierhonderd gulden opstrijken. De claim dat deze transactie heimelijk geschiedde, gaat niet op. De nieuwe abt wist zich immers gesteund door een aanzienlijk deel van het convent. De notarisakte die de waardigheid overdroeg, bevat de naam van twaalf priesters en twee broeders. Hoewel Jan van Mechelen besefte dat hij het bestuur van de abdij niet lang meer in handen zou kunnen houden, schijnt de idee van de resignatie afkomstig van zijn ondergeschikte.

De onduidelijkheid over de overeenkomst werd nog vergroot door de andere uitleg die de Romeinse curie systematisch aan het kortstondig eerste abbatiaat van Joos Bruylant gaf. Te Rome repte men met geen woord over hogervermeld vergelijk en stelde men dat Jan van Mechelen aan het abbatiaat in de handen van Paulus II had verzaakt en aldus opnieuw kanunnik werd. De paus vertrouwde de zorg voor het bestuur en de administratie van de vacante abdij aan Joos Bruylant toe. Deze laatste deelde de pauselijke zienswijze volledig, zoals blijkt uit een brief van 1479 aan hertog Maximiliaan. Kerkrechtelijk valt geen speld tussen deze zienswijze te steken, omdat de pausen in loop van de veertiende eeuw prelaatsbenoemingen in grote abdijen voor zichzelf hadden gereserveerd.

Evenmin als zijn voorganger bezat Joos of Judocus Bruylant de troeven om een goed abt te worden. Tijdens het bestuur van abt Jan Vranckx bekleedde Joos Bruylant een achttal jaar de waardigheid van pitancier. Nadien hebben de kanunniken hem wanbeheer verweten tijdens de uitoefening van die functie. De leden van de Raad van Brabant meenden uit de rekeningen af te kunnen leiden dat hij zich had misdragen.

Tegen dit gekonkel ageerden de reguliere kanunniken van Grimbergen. Het zat hen vooral hoog dat de aanstelling van Joos Bruylant heimelijk geschiedde. Zij achtten hem “inydoneus” of ongeschikt om het godshuis te leiden. De latere abt Arnold Persoons en Gerard van Tienen trokken zozeer van leer tegen de hun opgedrongen abt dat zij met het verlies van hun stemrecht, hun verkiesbaarheid en hun plaats in het koor werden bestraft. Slechts in 1470 ontsloeg de, daartoe door de abt-generaal gemachtigde, prelaat Pierre du Fossé van Bonne-Espérance hen van deze straf.

De Grimbergse norbertijnen legden zich niet neer bij de heimelijke transactie en gingen op 21 januari 1469 over tot de verkiezing van een waardig prelaat. Op gezag van abt-generaal Simon de la Terrière en in aanwezigheid van de abten van Dielegem en Ninove verkozen de witheren Jan vander Meulen, alias Scheers. Joos Bruylant nam in de hoedanigheid van proost aan de verkiezing deel. Hij beloofde zelfs gehoorzaamheid aan de nieuwe overste. De nieuwe overste, Jan vander Meulen, werd van een excommunicatie ontslagen, die hij na zijn verkiezing had opgelopen. Op 28 juli 1469 volgde zijn promotie tot abt. De witheren zetten Joos Bruylant aan de deur. Met steun van hertog Karel de Stoute keerde de verstoten prelaat terug naar de abdij. Hij was vergezeld van twee hertogelijke commissarissen, Paul de Rota en Nicolaas de Vucht. Zij hadden opdracht hem terug in het zadel te helpen. De religieuzen van hun kant echter achtten hem onnuttig en waren hem liever kwijt dan rijk. Zij bleven de kandidatuur van Jan vander Meulen ondersteunen.

Joos Bruylant zwichtte voor de druk van de kloostergemeenschap. Hij was tot resignatie bereid en ging aan de onderhandelingstafel zitten. De gesprekken vonden plaats in het gloednieuwe refugiehuis van de Parkabdij te Leuven. De prelaat en het convent bereikten een vergelijk. In ruil voor een jaarrente en een parochiekerk zou Joos Bruylant aan de abtswaardigheid verzaken. Het compromis kwam tot stand door bemiddeling van Parkabt Diederik van Tuldel, Geldolf vander Noot, de latere kanselier van Brabant, en meester Paul de Rota, een hertogelijk thesaurier. Meester Robert de Lacu, doctor in de beide rechten, en Jan van Keulen droegen eveneens hun steentje bij. Notarissen tekenden de overeenkomst in het bijzijn van verscheidene getuigen op. Beide partijen gingen akkoord met een rente van honderd kronen. Joos Bruylant mocht zich een parochiekerk naar eigen goeddunken uitkiezen.

Doch opnieuw bedacht Joos Bruylant zich, een decennium vol juridische procedures bij de pauselijke curie startend. Tussen 13 september 1477 en 27 augustus 1480 bekleedde Joos Bruylant zelfs de jure terug het Grimbergs abbatiaat. De weerspannige kloostergemeenschap, die zijn gezag niet wilde erkennen, viel vanaf kerstavond 1477 zelfs onder interdict. Doch de tijden waren gekeerd: het hertogelijk gezag steunde de door de kanunniken verkozen abten. De norbertijnen schuwden evenmin de juridische procedures. Zo werd op 7 september 1478 een visitatie in scène gezet met als enig doel Joos Bruylant maximaal te beschadigen. De onfortuinlijke Bruylant werd minstens in de jaren 1483-1484 zelfs vastgezet, doch slaagde erin om te ontsnappen uit de kloosterkerker, zo meldt de abt van Prémontré in een oorkonde die leest als een opsporingsbericht, te Dielegem gedateerd op 8 september 1484.

Het laatste spoor dat van Joos Bruylant overbleef, was een vergoeding van de camera apostolica van 13 juni 1493 voor de financiële verliezen, die zijn verzaking met zich meebracht. Wat er in de jaren na zijn ontsnapping in 1484 met hem gebeurde, is niet bekend. Zijn onorthodoxe en herhaalde greep naar de macht en de tumultueuze nadagen van zijn beleid nodigen in ieder geval uit tot verder onderzoek.

Literatuur:
Janick Appelmans, ‘Een ambitieus kanunnik grijpt de macht. Joos Bruylant, Grimbergs abdijleven en intriges in de late vijftiende eeuw’, in: Janick Appelmans (ed.), Premonstratenzers en premonstratenzerinnen in Brabant [Eigen Schoon en De Brabander 102/1] (Asse: Koninklijk Historisch Genootschap van Vlaams-Brabant en Brussel, 2019), p. 71-77.
Janick Appelmans. ‘“[qu’] ilz facent bon et brief droit”. Les prémontrés brabançons et le recours à la justice diocésaine, ducale et papale au XVe siècle’, in: Martine Plouvier (ed.), Grandes et petites figures de l’ordre de Prémontré. Les prémontrés et la justice (Actes officiels des 36e et 37e colloques du Centre d’Études et de Recherches Prémontrées. Auvergne, 2010 - Normandie, 2011 (Laon: Centre d’Études et de Recherches Prémontrées, 2017), p. 139-160.